woensdag 29 juli 2009

CéU - Vagarosa

De Braziliaanse zangeres CéU debuteerde vier jaar geleden met een heerlijk zwoele zomerplaat, die uiteindelijk vier seizoenen lang mee bleek te gaan. Op haar titelloze debuut vermengde CéU op inventieve en bijzonder smaakvolle wijze invloeden uit de samba, bossa nova, Afrikaanse muziek, dub, reggae, soul, jazz, tropicalia en elektronica. Het leverde een warmbloedige plaat vol verleiding op, die zowel authentiek als eigentijds klonk. Sinds de release van CéU’s debuut verstreken vier lange jaren (al maakte de Braziliaanse vorig jaar samen met een aantal bevriende muzikanten een nauwelijks opgemerkt tussendoortje), maar net nu de zomer wat lijkt in te zakken, ligt eindelijk de langverwachte, maar door het succes van het debuut steeds weer uitgestelde, tweede plaat van de Braziliaanse in de winkel. Vagarosa volgt grotendeels hetzelfde recept als het zo geprezen debuut, dat uiteindelijk zelfs een Grammy nominatie voor de beste plaat in de categorie wereldmuziek in de wacht wist te slepen. CéU verkent op haar nieuwe plaat hooguit wat nadrukkelijker invloeden van buiten de traditionele Braziliaanse muziek en geeft het muzikale experiment net wat meer ruimte, maar tegelijkertijd is ook Vagarosa weer een heerlijke zomerplaat. Net als bijvoorbeeld Cibelle en Bebel Gilberto weet CéU muziek te maken die net zo vertrouwd en verleidelijk klinkt als de Braziliaanse muziek uit de jaren 60 en 70 van bijvoorbeeld Astrud Gilberto, maar die ook continu nieuwe wegen verkent. Op Vagarosa gebruikt CéU de zwoele Braziliaanse klanken als basis, maar op deze basis experimenteert ze naar hartenlust met alle stijlen die ook al op haar debuut opdoken. Vagarosa is hierdoor een plaat die je met een gerust hart op kunt zetten op een zomers feestje, maar het is ook een plaat die bij intensieve beluistering steeds weer nieuwe dingen laat horen en net als het debuut bij iedere volgende luisterbeurt weer een stukje broeieriger, mooier en indrukwekkender wordt. CéU maakte vier jaar geleden de mooiste zomerplaat van het jaar. Dit jaar zijn er meerdere platen die aanspraak maken op dit predicaat, maar CéU behoort ook met Vagarosa absoluut tot de belangrijke kanshebbers. Erwin Zijleman

zondag 26 juli 2009

Kendel Carson - Alright Dynamite

Twee jaar geleden werd de Canadese singer-songwriter en violiste Kendel Carson omarmd door liefhebbers van Amerikaanse rootsmuziek. Haar samen met oude rot Chip Taylor gemaakte debuut Rearview Mirror Tears was dan ook een overtuigende plaat, met oerdegelijke maar fris klinkende countryrock. Een plaat die nergens echt vernieuwde, maar op één of andere manier iets had. Iets wat ook de critici wist te overtuigen, want Rearview Mirror Tears kreeg uitstekende recensies. Inmiddels zijn we twee jaar verder en ligt Kendel Carson’s tweede plaat in de winkel. Ook op Alright Dynamite werkt Kendel Carson weer intensief samen met veteraan Chip Taylor. Het blijkt een combinatie die nog altijd uitstekend werkt. De titel van Kendel Carson’s tweede plaat suggereert muzikaal vuurwerk, maar opent uiterst ingetogen met een aantal songs waarop Chip Taylor nadrukkelijk zijn stempel drukt. Na een aantal tracks wordt het tempo echter wat opgevoerd en krijgen ook de wilde haren van Kendel Carson de ruimte. Alright Dynamite bevat meer rockinvloeden dan het zo geprezen debuut, al worden ook liefhebbers van ingetogen countrysongs meerdere malen op hun wenken bediend. Alright Dynamite is net als zijn voorganger weinig vernieuwend, maar ook deze plaat heeft meer dan genoeg te bieden om te overtuigen. Zo hebben Kendel Carson en Chip Taylor zich weten te omringen door een stel prima muzikanten, schrijven beiden songs die lekker blijven hangen en niet snel gaan vervelen en heeft Kendel Carson een bijzonder aangename en emotievolle stem die zowel in het meer ingetogen als in het stevigere werk uitstekend tot zijn recht komt. Met Alright Dynamite consolideert Kendel Carson haar status als één van de veelbelovende jonge vrouwelijke singer-songwriters van het moment. Ze doet dit wederom met een oerdegelijke plaat die je bijna achteloos maar onverwacht diep zal weten te raken. Erwin Zijleman

vrijdag 24 juli 2009

Bowerbirds - Upper Air

Phil Moore en Beth Tacular vormen samen Bowerbirds. Het duo vertoefde de afgelopen jaren in een afgelegen gebied in North Carolina en debuteerde vanuit een hutje in de bossen met het helaas nauwelijks opgemerkte Hymns For A Dark Horse; een plaat met muziek die vooral werd gekarakteriseerd als freak-folk, maar eigenlijk veel meer was dan dat. Met het onlangs verschenen Upper Air zet Bowerbirds wederom een flinke stap. Ook op Upper Air maakt Bowerbirds muziek die door menigeen in het hokje freak-folk zal worden geduwd, maar wederom doe je het tweetal hiermee flink tekort. Op Upper Air imponeert Bowerbirds, dat inmiddels tot een trio lijk uitgegroeid, met opvallend georkesteerde popliedjes, die uitblinken door hun eenvoud. Het is muziek die diep is geworteld in de tradities van de folk en aansluit bij de alternatieve folk van Devendra Banhart en zijn vele volgelingen, maar het is ook muziek die zich geen moment laat beperken door de grenzen van deze genres. Upper Air valt op door de eigenzinnige instrumentatie, met een hoofdrol voor de accordeon van Beth Tacular en vaak wat loom aandoend gitaargetokkel, door de fraaie en meer dan eens aan Beach House herinnerende samenzang en vooral door de eigenzinnige songstructuren. De songs van Bowerbirds lijken op het eerste gehoor vaak niet te kloppen, maar op een gegeven moment valt het kwartje en is de wijze waarop instrumenten en zang elkaar aanvullen heel natuurlijk. Ook Upper Air is getekend door het leven in “the middle of nowhere”. De plaat doet daarom qua sfeer wel wat denken aan Bon Iver’s For Emma, Forever Ago, maar sluit net zo makkelijk aan bij de platen van Joanna Newsom (maar dan zonder harp). Upper Air is geen makkelijke, maar uiteindelijk wel een betoverend mooie plaat van een duo dat nergens de makkelijkste weg kiest, maar wel continu dicht bij de basis blijft. Een aanrader voor de liefhebbers van freak-folk én de liefhebbers van alle omringende genres. Erwin Zijleman

Todd Snider - The Excitement Plan

Nu de eerste helft van 2009 er al weer een tijdje op zit, hebben de rekenmeesters van MetaCritic (zie www.metacritic.com/music) de voorlopige balans over 2009 opgemaakt. In het lijstje waarin de oordelen van de belangrijkste Amerikaanse muziekcritici bij elkaar zijn opgeteld, valt de hoge notering voor The Excitement Plan van Todd Snider op. Todd Snider is een Amerikaanse singer-songwriter die inmiddels een jaar of 15 meedraait en in de Verenigde Staten al bijna even lang wordt gerespecteerd als een zeer bekwaam muzikant. In Nederland is Todd Snider relatief onbekend, waardoor ook The Excitement Plan het vooralsnog moet doen met niet al teveel aandacht. Hoewel de verzamelde Amerikaanse critici er ook wel eens flink naast zitten, hebben ze het over het algemeen aan het juiste eind wanneer het gaat om singer-songwriter muziek; iets wat ook weer het geval is bij de beoordeling van de tiende plaat van de singer-songwriter die al sinds het begin van zijn carrière vanuit Memphis opereert. Op The Excitement Plan maakt Todd Snider authentiek klinkende singer-songwriter muziek zonder al te veel opsmuk. De meeste van zijn songs bevatten invloeden uit de folk, country of blues en moeten het doen met een vrij sobere instrumentatie, waarbinnen het gitaarwerk en mondharmonicaspel overigens van een bijzonder hoog niveau zijn, iets wat trouwens ook geldt voor de fraaie accenten op de pedal steel van snarenwonder Greg Leisz. Het belangrijkste instrument is echter de donkere en emotievolle stem van Todd Snider. Een stem die vrijwel alle songs net dat beetje extra geeft dat nodig is om op te vallen. Opvallen doet Todd Snider overigens ook in tekstueel opzicht. Een ieder die de tijd neemt om zich te verdiepen in de teksten van de songs op The Excitement Plan komt de nodige rake klinkslagen en humor tegen. The Excitement Plan is al met al een plaat die misschien niet direct opzien baart, maar na een paar luisterbeurten van hoge kwaliteit blijkt; precies zoals je mag verwachten van een plaat die hoog scoort in de lijst van MetaCritic. Erwin Zijleman

dinsdag 21 juli 2009

Jónsi & Alex - Riceboy Sleeps

Jónsi & Alex is een duo dat wordt gevormd door de van Sigur Ros bekende Jon Thor Birgisson en Alex Somers. Op Riceboy Sleeps maken de twee heren betoverend mooie muziek, die wel wat aan Sigur Ros doet denken, maar nog net wat atmosferischer en experimenteler is. Riceboy Sleeps bevat negen tracks die allemaal net wat anders klinken, maar ook duidelijk één geheel vormen. Jónsi & Alex beperken zich op Riceboy Sleeps voornamelijk tot bijna minimalistische klanken, maar het zijn klanken die al snel een bezwerend effect op de luisteraar blijken te hebben. Riceboy Sleeps is grotendeels instrumentaal en bevat voornamelijk songs die zich in een tergend langzaam tempo voortslepen. Sprookjesachtige klanken die het prima zouden doen als soundtrack bij indringende beelden, maar ook muziek die je langzaam maar zeker ontspant en betovert. Het is niet eens makkelijk om te beschrijven wat de muziek van Jónsi & Alex zo bijzonder maakt. Jónsi & Alex maken muziek die op papier waarschijnlijk weinig indrukwekkend is, maar die met name wanneer je deze plaat via de een koptelefoon beluistert tot grootse daden in staat blijkt. Riceboy Sleeps is geen plaat die zich nadrukkelijk opdringt, maar het is evenmin een plaat die je makkelijk kunt negeren. Waar de atmosferische klanken in eerste instantie misschien nog even langs je heen gaan, komt er absoluut een moment waarop je gegrepen wordt door deze klanken, waarna Riceboy Sleeps je pas weer los laat wanneer de laatste noten langzaam weg ebben. Waar Sigur Ros de afgelopen jaren steeds net iets toegankelijkere muziek is gaan maken, gaan Jónsi & Alex terug naar de wat meer experimentele basis van de band. Het levert een plaat met wonderschone en sprookjesachtige muziek op, die veel meer te bieden heeft dan je in eerste instantie zult vermoeden. Erwin Zijleman

zondag 19 juli 2009

Son Volt - American Central Dust

Onlangs verscheen de nieuwe cd van Wilco; de band die voortkwam uit het legendarische Uncle Tupelo. Waar Wilco de band is van voormalig Uncle Tupelo voorman Jeff Tweedy, timmert de andere voorman van deze alt-country pioniers, Jay Farrar, al sinds jaar en dag aan de weg met zijn band Son Volt. Dit overigens met wisselend succes, want waar Wilco inmiddels is uitgegroeid tot een grote band en tot één van de lievelingen van de critici, verloopt de carrière van Son Volt tot dusver behoorlijk grillig en gaf de band er zelfs een aantal jaren compleet de brui aan. Waar Son Volt nog altijd voornamelijk wordt geroemd vanwege haar in 1995 uitgebrachte debuut Trace, maakte de band wat mij betreft haar beste platen sinds de wederopstanding in 2005. Okemah And The Melody Of Riot uit 2005 en The Search uit 2007 lieten een geïnspireerd klinkende band horen die haar oude geluid trouw bleef, maar ook voorzichtig nieuwe wegen verkende in wat grootser en steviger klinkende songs. Het leverde de band prima recensies op, maar de verkoop viel zo tegen dat Son Volt werd gedumpt door haar platenmaatschappij. Inmiddels heeft de band onderdak gevonden bij een ander label en is de band’s zesde plaat, American Central Dust, verschenen. American Central Dust laat zich beluisteren als een back to basics plaat. Op haar nieuwe cd keert Son Volt terug naar de eenvoud van haar debuut, zonder hierbij overigens te vervallen in herhaling. De wat stevigere accenten van de twee voorgangers zijn weer grotendeels verdwenen en hebben plaats gemaakt voor ingetogen en meeslepende songs met invloeden uit de folk en country. American Central Dust laat horen dat Jay Farrar nog altijd songs schrijft van wereldklasse en dat Son Volt nog steeds moet worden gerekend tot de smaakmakers van het alt-country genre. Son Volt maakt op American Central Dust muziek die nadrukkelijk teruggrijpt op muziek uit een ver verleden. Bands als The Byrds en The Flying Burrito Brothers en het werk van Neil Young zijn een belangrijke inspiratiebron voor Jay Farrar, maar ook het uit de vroege jaren 70 stammende werk van de Rolling Stones en de vernieuwingsdrang van Uncle Tupelo hebben hun sporen nagelaten in de muziek van de band. American Central Dust is een uitstekende plaat van een band die al vaak is afgeschreven, maar er nog altijd zeer toe doet. Erwin Zijleman

vrijdag 17 juli 2009

The Wild Specialties - Beautiful Today

De Limburgse band The Wild Specialties draait al vele jaren mee, maar moest het tot dusver doen met erkenning in kleine kring. Sinds de release van het debuut van de band, Beautiful Today, is dat echter wel anders. De Nederlandse muziekpers heeft Beautiful Today binnengehaald als één van de betere platen van het moment en in Oor’s Moordlijst doet de band inmiddels zelfs serieus mee om de ereplaatsen. Na beluistering van Beautiful Today kan ik me alleen maar aansluiten bij alle positieve woorden die tot dusver zijn gebruikt om de plaat van The Wild Specialties de hemel in te prijzen. Op Beautiful Today maakt The Wild Specialties muziek die tot dusver vooral het etiket “roots” krijgt opgeplakt, maar het is wel rootsmuziek in de ruimste zin van het woord. Met name blues is een belangrijk bestanddeel van de muziek van de band uit Weert, maar hiernaast zijn tal van andere invloeden hoorbaar. Invloeden die variëren van folk, jazz, country, soul en gospel tot pop en zelfs symfonisch aandoende rockmuziek. Beautiful Today is een plaat die op knappe wijze muzikale grenzen overstijgt. Een plaat die eigenlijk niet goed in een hokje is te duwen, of het moet het hokje “wonderschone en avontuurlijke popmuziek” zijn. Op Beautiful Today schotelt The Wild Specialties ons de ene na de andere briljante popsong voor. Het zijn songs die steeds weer op weten te vallen door de fraaie instrumentatie, waarin toetsen en saxofoon een belangrijke rol spelen, door hun veelzijdigheid, door melodieën die lekker blijven hangen, door de dynamiek van het geluid van de band en door de vele verrassende wendingen, die je mening over de band steeds weer in positieve zin bijstellen. De muziek van The Wild Specialties is inmiddels vergeleken met de muziek van nogal uiteenlopende bands en/of muzikanten als The Arcade Fire, Lambchop, Tom Waits, Calexico, Steely Dan en Daniel Lanois. Ik kan daar nog wat namen aan toevoegen, maar dat is eigenlijk zinloos. The Wild Specialties manifesteert zich op haar debuut als een bijzondere band met een bijzonder geluid. Een band die met Beautiful Today een veelzijdige, verassende en wonderschone plaat van wereldklasse heeft gemaakt. Erwin Zijleman

woensdag 15 juli 2009

Kim Hoorweg - My Recipe For A Happy Life

Twee jaar geleden debuteerde de op dat moment pas 14 jaar oude Kim Hoorweg met Kim Is Back. Een opvallende plaat waarop louter vertolkingen van songs van jazzlegende Ella Fitzgerald te vinden waren. Een opvallende combinatie, want bij het interpreteren van het bijzonder doorleefde werk van Ella Fitzgerald denk je waarschijnlijk niet direct aan een zangeres die de brugklas nog maar net is ontgroeid. Iedereen die onbevooroordeeld luisterde naar Kim Is Back, kon echter alleen maar concluderen dat er weinig viel aan te merken op de gloedvolle vertolkingen van Kim Hoorweg. Er viel daarom ook niets af te dingen op het internationale succes dat haar ten deel viel. Kim Hoorweg is inmiddels 16 en kijkt op de cover van My Recipe For A Happy Life een stuk zelfverzekerder in de camera dan het schuchtere meisje dat de cover van Kim Is Back sierde. Ook in muzikaal opzicht is Kim Hoorweg flink gegroeid. My Recipe For A Happy Life bevat alleen eigen songs en het zijn songs die stuk voor stuk zeer aansprekend zijn. Ook op My Recipe For A Happy Life profiteert Kim Hoorweg natuurlijk weer nadrukkelijk van de contacten van haar vader, die als getalenteerd jazzpianist muzikanten van naam en faam wist te strikken voor de tweede plaat van zijn dochter. Het is de slagroom op de taart die voor het belangrijkste deel echter toch door Kim Hoorweg zelf is gebakken. Waar Kim Hoorweg ons op haar debuut nog voornamelijk jazz voorschotelde, biedt My Recipe For A Happy Life een veel breder muzikaal palet. Naast invloeden uit de jazz horen we dit keer ook invloeden uit de soul, funk, latin, pop en zelfs een incidenteel vleugje country of hiphop, wat van My Recipe For A Happy Life een licht verteerbare en vrijwel zonder uitzondering zonnig klinkende plaat maakt. Een misschien nog wel belangrijker verschil met het debuut is dat Kim Hoorweg nog veel beter is gaan zingen en nu bovendien nadrukkelijk haar eigen ding doet. Kim’s recept voor een gelukkig leven is zo een recept dat in brede kring de gewenste uitwerking zal hebben en buiten het feit dat het af en toe allemaal wel erg gepolijst klinkt vooralsnog geen vervelende bijwerkingen heeft. Erwin Zijleman

maandag 13 juli 2009

The Dead Weather - Horehound

The Dead Weather is een uit nood geboren hobbyproject van The White Stripes voorman Jack White. Toen White vorig jaar tijdens de tour van The Raconteurs door bronchitis niet meer aan zijn vocale verplichtingen kon voldoen, dook The Kills zangeres Alison Mosshart op als reddende engel. Een tijdelijke samenwerking die naar veel meer smaakte. Toen de tour van The Raconteurs er op zat doken White en Mosshart samen met Raconteurs bassist Little Jack Lawrence en Queens Of The Stone Age gitarist Dean Fertita de studio in voor het opnemen van een single, maar ze kwamen uiteindelijk met een compleet album de studio uit. Horehound blijkt een fascinerende plaat, die maar weer eens bewijst dat het maken van popmuziek weinig te maken heeft met wiskunde. Horehound van The Dead Weather is immers geen moment de som van de vier delen waaruit deze gelegenheidsband bestaat. Dit is ook niet verwonderlijk, want met name Jack White doet andere dingen dan we van hem gewend zijn. Zo heeft hij zijn gitaar dit keer het grootste deel van de tijd in de koffer gelaten en bespeelt hij voor de afwisseling de drums. Bovendien zingt White anders dan we van hem gewend zijn. Horehound bevat rauwe songs met vooral invloeden uit de blues, rock en psychedelica. Songs die worden gedragen door het opzwepende gitaarwerk en de verrassende toetsenpartijen van Dean Fertita, door een stevig om zich heen meppende Jack White, door het degelijke baswerk van Lawrence en vooral door de geweldige vocalen van Alison Mosshart. The Dead Weather maakt op Horehound broeierige muziek die me persoonlijk meer doet denken dan PJ Harvey in haar wilde dagen dan aan The White Stripes of The Kills. Muziek die lekker smerig klinkt, maar ook avontuurlijker is dan je op het eerste gehoor zult vermoeden. Horehound is in amper drie weken opgenomen en dat hoor je. De plaat rammelt hier en daar flink, maar dit maakt de muziek van de gelegenheidsband alleen maar interessanter en doeltreffender. Zowel The Kills als The White Stripes zijn na een aantal prima platen toe aan een nieuwe impuls. Beluistering van het geweldige Horehound van The Dead Weather zou deze nieuwe impuls wel eens kunnen geven. Erwin Zijleman

zaterdag 11 juli 2009

Florence + The Machine - Lungs

Florence + The Machine werden ruim voor het jaar was begonnen al uitgeroepen tot één van de Britse sensaties van 2009 en sindsdien overladen met aandacht van met name de Britse media. We hebben vervolgens lang moeten wachten op het debuut van Florence Welch en haar band, maar deze week ligt Lungs dan eindelijk in de winkel. Is het een hype of is dit inderdaad een band om in de gaten te houden? Lungs is een plaat die wat mij betreft de belofte meer dan waar maakt. Florence + The Machine maken op hun debuut opvallende popliedjes die een breed palet aan stijlen bestrijken. Lungs bevat broeierige soulpop, sprookjesachtige indiepop, aanstekelijke grungerock en een aantal wat rauwere tracks die voorzichtig tegen de punk aanschurken. Het zijn popliedjes die stuk voor stuk opvallen door een originele en doeltreffende instrumentatie en door de bijzonder aansprekende vocalen van Florence Welch. Het echt bijzondere van Lungs is wat mij betreft echter het feit dat Florence + The Machine niet kiezen tussen lekker in het gehoor liggende popmuziek en popmuziek die het avontuur verkiest boven hitpotentie. Lungs bevat buitengewoon avontuurlijke popsongs die je keer op keer zullen verbazen, maar de cd bevat tegelijkertijd een serie hits die deze zomer maar moeilijk uit de cd-speler zal zijn te krijgen. Florence + The Machine is op het Internet al omschreven als de ontbrekende schakel tussen Avril Lavigne en PJ Harvey. Op zich wel een aardige omschrijving, al is de ontbrekende schakel tussen Beth Orton en Patti Smith, Adele en Kate Bush of Amy Winehouse en Björk minstens even treffend. Lungs is een plaat met popmuziek van hoog niveau. De ondertoon is vaak wat donker, maar Lungs is uiteindelijk toch vooral een plaat om heel vrolijk van te worden. Een plaat die strooit met bijzondere geluiden, pretentieloos rockt en zich op overtuigende wijze vergrijpt aan een soulkraker van Candi Staton, maar desondanks klinkt als een eenheid. Een eenheid die vermaakt, verbaast en overtuigt. Florence + The Machine scoorden eind 2008 hoog op de lijstje met de grote beloften voor het komende jaar. Eind 2009 zullen we de band absoluut terug zien in de lijstjes met de beste platen van het jaar. Het is niet meer dan terecht. Erwin Zijleman

vrijdag 10 juli 2009

Drive-By Truckers - Live From Austin Tx

Bij de bespreking van de onlangs verschenen en opvallend goede soloplaat van Drive-By Truckers voorman Patterson Hood, suggereerde ik nog dat er dit jaar waarschijnlijk weinig te verwachten valt van de Drive-By Truckers. Niets is minder waar. In september ligt een nieuwe cd met naar verluid uitstekend restmateriaal (The Fine Print, A Collection Of Oddities and Rarities 2003-2008) in de winkel en deze week kunnen we al genieten van de cd plus DVD Live From Austin Tx. Op Live From Austin Tx zien en horen we de Drive-By Truckers aan het werk tijdens de tour die volgde op het vorig jaar verschenen Brighter Than Creation’s Dark; misschien wel hun beste plaat tot dusver. In de 13 songs tellende setlist neemt het materiaal van de laatste plaat een belangrijke rol in, maar uiteraard is er ook ruimte voor enkele klassiekers uit het inmiddels imposante oeuvre van de band uit Athens, Georgia. Iedereen die de Drive-By Truckers wel eens live aan het werk heeft gezien, weet dat de band op het podium misschien nog wel meer weet te overtuigen dan op de plaat. Het is dan ook geen verrassing dat er op Live From Austin Tx veel te genieten valt. Live klinken de Drive-By Truckers net wat rauwer dan op de plaat en met name het gitaarwerk knalt werkelijk uit de speakers. Waar de band in het verleden maar zelden gas terug nam, horen we op Live From Austin Tx dat de Drive‑By Truckers ook dit inmiddels aardig onder de knie hebben, wat de dynamiek van hun optreden zeer ten goede komt. Zelf geef ik de voorkeur aan de cd, maar op de DVD is absoluut genoeg te zien om een optreden van de Drive-By Truckers ook in visueel opzicht aantrekkelijk te maken, zeker wanneer de gitaristen van de band los gaan. Live From Austin Tx is wat mij betreft een stuk beter dan het tot dusver verkrijgbare live-materiaal van de band (in 2005 verscheen de DVD Live at the 40 Watt met hierop een integrale uitvoering van The Dirty South) en vormt dan ook een waardevolle aanvulling op het fraaie oeuvre van de band. Met The Fine Print nog in het verschiet lijkt toch ook 2009 weer een uitstekend Drive-By Truckers jaar te gaan worden. Erwin Zijleman

donderdag 9 juli 2009

Maxwell - BLACKsummer’snight

De afgelopen weken hebben we meerdere malen kunnen genieten van zwoele zomeravonden. Het zijn avonden waarop een ouderwets goede en bij voorkeur dampende soulplaat het uitstekend doet. De beste soulplaat van het moment komt voor de afwisseling weer eens uit de hoek van de neo-soul. Maxwell behoorde ooit tot de pioniers van dit genre, maar bleek, net als soort- en tijdgenoten D’Angelo en Lauryn Hill, het afgelopen decennium helaas weinig productief. Met het twee jaar geleden al aangekondigde, maar nu dan eindelijk verschenen BLACKsummer’snight, gaat Maxwell verder waar hij halverwege de jaren 90 met het inmiddels tot een klassieker uitgegroeide Maxwell's Urban Hang Suite begon. Op BLACKsummer’snight, naar verluid het eerste deel van een trilogie, slaat Maxwell nog altijd een brug tussen de klassieke soulmuziek van grootheden als Al Green en Marvin Gaye en de hedendaagse R&B, waarbij muziek uit de tussenliggende periode niet wordt vergeten. BLACKsummer’snight klinkt wat mij betreft als een klassieke souplaat met een beetje Prince (de falsetstem) en wat invloeden uit het huidige decennium. Waar ik in de moderne soulmuziek de emotie, die toch de basis vormt van deze muziek, vaak mis, is BLACKsummer’snight een plaat die overloopt van emotie. Bijgestaan door een competent spelende band heeft Maxwell alle emotie rond een verbroken relatie vrijwel live op de plaat gezet. BLACKsummer’snight is, mede hierdoor en zeker ook door de prachtige productie, een plaat die flink wat effect weet te sorteren. Een plaat die mij wel wat doet denken aan de fameuze breakup-plaat van Marvin Gaye (Here, My Dear), al is het nog veel te vroeg om de vergelijking met één van de beste soulplaten aller tijden te kunnen doorstaan. De songs op BLACKsummer’snight zijn vanwege het persoonlijke karakter van hoog niveau, de tienkoppige band is geweldig op dreef en Maxwell zingt beter dan hij ooit deed. Gezien de wat mindere platen en de lange periode van stilte die volgden op zijn geweldige debuut, is Maxwell de status van belofte eigenlijk nooit ontgroeid. Met BLACKsummer’snight schaart hij zich echter definitief onder de grote soulzangers van de afgelopen twee decennia en levert hij een plaat in het genre af die dit jaar niet zomaar zal worden overtroffen. Erwin Zijleman

dinsdag 7 juli 2009

New Ruins - We Make Our Own Bad Luck

De Amerikaanse band New Ruins wordt op het Internet afwisselend vergeleken met The American Music Club en Talk Talk. Twee namen uit het verleden die ik heel hoog heb zitten, waardoor ik met flinke verwachtingen begon aan de beluistering van het vorige maand verschenen We Make Our Own Bad Luck. Verwachtingen die vervolgens volledig werden ingelost, want We Make Our Own Bad Luck is een bijzonder mooie plaat. Een plaat die hier en daar wel wat doet denken aan de muziek van The American Music Club, maar in het merendeel van de songs heeft New Ruins toch een duidelijk eigen geluid. Een geluid dat net zo makkelijk raakt aan dat van The American Music Club als aan dat van onder andere Pavement, Mercury Rev of Iron & Wine. We Make Our Own Bad Luck van New Ruins is vooral een plaat die geen keuzes wenst te maken. De band rond songwriters Elzie Sexton en Caleb Means maakt atmosferische popmuziek die niet kan of wil kiezen tussen mooie arrangementen en charmante lo-fi, tussen akoestische instrumenten en elektronica, tussen alt-country en indie-rock, tussen muziek uit het verleden en het heden, tussen oorstrelende klanken en gruizige passages en ga zo maar door. Het liefst doet New Ruins overigens alles tegelijk. We Make Our Own Bad Luck is hierdoor niet alleen een plaat die betoverend mooi is, maar het is ook een plaat vol scherpe randjes en onverwachte wendingen die je steeds weer weten te verbazen. In muzikaal opzicht zit het allemaal geweldig in elkaar, maar tegelijkertijd rammelt het ook heerlijk charmant. Iedere keer dat je We Make Our Own Bad Luck van New Ruins hoort, hoor je nieuwe dingen in de muziek van deze fascinerende band, waardoor deze plaat eigenlijk alleen maar mooier wordt. Een plaat die overigens compleet wordt genegeerd door de muziekpers en in Nederland nog niet eens is uitgebracht. Werkelijk doodzonde. Erwin Zijleman

zondag 5 juli 2009

Patterson Hood - Murdering Oscar (And Other Love Stories)

Het lijkt er op dat we het in 2009 moeten doen zonder een nieuwe plaat van de Drive-By Truckers. Dat is natuurlijk jammer, maar het biedt de leden van de band uit het zuiden van de Verenigde Staten wel de mogelijkheid om ook eens iets anders te doen. Een kans die voorman Patterson Hood met beide handen heeft aangegrepen, want onlangs verscheen Murdering Oscar (And Other Love Stories). Het is Hood’s tweede soloplaat, want een paar jaar geleden verscheen al zijn debuut Killers And Stars. Waar Patterson Hood ons op zijn solodebuut vooral uiterst sobere songs die klonken als ruwe demo’s voorschotelde, komt hij dit keer op de proppen met een lekker vol bandgeluid. Een wijs besluit want Murdering Oscar (And Other Love Stories) is in tegenstelling tot zijn wat rommelige voorganger direct bij eerste beluistering een aansprekende plaat. Bijgestaan door onder andere leden van de Drive-By Truckers, Will Johnson (Centro-Matic) en vader David (die zijn sporen in de muziek verdiende bij The Muscle Shoals Rhythm Section), heeft Patterson Hood een plaat gemaakt die niet eens zo heel ver is verwijderd van de platen van zijn band, maar wel wat andere accenten legt. Zo grijpt Patterson Hood op Murdering Oscar (And Other Love Stories) wat minder vaak terug op Southern rock dan de Drive-By Truckers doen. Ook subtiele invloeden uit de soul hebben hun weg gevonden in het sologeluid van Patterson Hood, al zijn de meeste songs toch te labelen als countryrock of Americana. Murdering Oscar (And Other Love Stories) klinkt wat vrijblijvender dan de laatste platen van de Drive-By Truckers en haalt ook niet het niveau van al dan niet miskende meesterwerken als The Dirty South, A Blessing And A Curse en Brighter Than Creation’s Dark, maar het is absoluut een goede plaat. Een plaat die laat horen dat Patterson Hood aansprekende songs kan schrijven en deze bovendien op gloedvolle en eigenzinnige wijze kan vertolken. Een plaat ook met een persoonlijk tintje, wat Murdering Oscar (And Other Love Stories) wat mij betreft voldoende bestaansrecht geeft naast het werk van Hood's band. Murdering Oscar (And Other Love Stories) is op zijn minst een aardig voorproefje op een nieuw album van de Drive-By Truckers. Een voorproefje dat het lange wachten een stuk eenvoudiger maakt en bovendien naar veel meer smaakt. Erwin Zijleman

vrijdag 3 juli 2009

James Blackshaw - The Glass Bead Game

James Blackshaw is een jonge Brit die uitstekend overweg kan op de 12-snarige akoestische gitaar en tot dusver vooral wordt vergeleken met legendarische muzikanten als John Fahey, Leo Kottke en Bert Jansch. Vorig jaar verschenen van zijn hand een aantal cd’s met wat ouder werk (die tot dat moment in een oplage van slechts 80 stuks waren uitgebracht) en een nieuwe plaat, Litany Of Echoes. Tot verbazing van velen haalde de laatstgenoemde plaat de top 15 van de jaarlijst van het Britse muziektijdschrift Uncut, waardoor de plaat uitgroeide tot één van de cultplaten van 2008. Geen makkelijke plaat trouwens, want de sterk door minimal music beïnvloede muziek van James Blackshaw zit behoorlijk complex in elkaar en vergt over het algemeen enkele luisterbeurten voor het kwartje wil vallen. James Blackshaw is inmiddels ingelijfd door Michael Gira’s Young God Records en levert nu met The Glass Bead Game ook één van de cultplaten van 2009 af. Op het uit vijf lange tracks (variërend van ruim 5 tot bijna 19 minuten) bestaande The Glass Bead Game gaat James Blackshaw verder waar het hypnotiserende Litany Of Echoes vorig jaar ophield, al is de muziek van de Brit ook wat voller en hierdoor wat toegankelijker geworden. James Blackshaw bespeelt op zijn nieuwe plaat vaker de piano en laat zich dit keer bovendien bijstaan door een klassiek geschoolde zangeres, strijkers (viool en cello) en blazers (klarinet, dwarsfluit). Ook The Glass Bead Game staat vol met repeterend gitaarwerk van een duizelingwekkend hoog niveau. Gitaarwerk dat prachtig kleurt bij de piano, strijkers en flarden van vocalen die op deze plaat te horen zijn. Ook The Glass Bead Game is een plaat die zich maar lastig in een hokje laat duwen. James Blackshaw laveert op het snijvlak van folk en minimal music, maar schuwt ook andere genres niet. Net als op Litany Of Echoes maakt James Blackshaw op The Glass Bead Game hypnotiserende muziek van een bijna onwerkelijke schoonheid. Beeldende muziek die het brein op hol doet slaan, maar die je tegelijkertijd in een heerlijk lome gemoedstoestand brengt. Een makkelijke plaat is het zeker niet, maar iedere seconde die je in deze plaat steekt wordt uiteindelijk dubbel en dwars terug betaald. Erwin Zijleman

donderdag 2 juli 2009

Levon Helm - Electric Dirt

De carrière van Levon Helm bestrijkt inmiddels zes decennia en kent hoge pieken en misschien nog wel diepere dalen. Helm is vooral bekend geworden als drummer van The Band, speelde vervolgens als sessiemuzikant met de groten der aarde, maar heeft ook een aantal soloplaten op zijn naam staan. Soloplaten waarvan American Son uit 1980 nog altijd de beste is, al was het twee jaar geleden na een pauze van 25 jaar verschenen Dirt Farmer verrassend sterk. Dirt Farmer volgde op een lange strijd met keelkanker die Levon Helm bijna fataal werd en liet een aantal op bijzonder doorleefde en vaak ook wat breekbare wijze vertolkte covers en traditionals horen. Het nu verschenen Electric Dirt ligt deels in het verlengde van Dirt Farmer, maar is uiteindelijk toch een totaal andere plaat. Wanneer Electric Dirt wordt vergeleken met Dirt Farmer valt op dat Levon Helm aanmerkelijk beter is gaan zingen. Waar zijn stem op Dirt Farmer onherstelbaar leek aangetast door zijn ziekte, klinkt Levon Helm op zijn nieuwe plaat weer ouderwets goed. Natuurlijk is zijn stem in de loop der jaren aan slijtage onderhevig geweest, maar dit komt de emotie in zijn stem alleen maar ten goede. Ook in muzikaal opzicht is Electric Dirt een andere plaat dan Dirt Farmer. Waar Levon Helm zich op Dirt Farmer voornamelijk beperkte tot traditioneel aandoende rurale folk, bestrijkt hij op Electric Dirt een veel breder palet. Naast folk uit de Appalachen duiken dit keer ook country, gospel en blues op en in al deze genres kan Levon Helm uitstekend uit de voeten. Ook op zijn nieuwe plaat wordt Levon Helm bijgestaan door een aantal ouwe rotten uit het vak. Muzikanten die feilloos weten hoe je dit soort muziek moet spelen, maar geen moment op de automatische piloot varen. Net als Dirt Farmer bevat Electric Dirt voornamelijk covers, maar dit keer schreef Levon Helm zelf ook twee songs. Songs die overigens behoren tot de hoogtepunten op deze fraaie plaat. Electric Dirt is een plaat die niet eens zo heel ver is verwijderd van de laatste platen van Bob Dylan en doet hier ook nauwelijks voor onder. Het moet genoeg zeggen over de kwaliteit van deze plaat. Levon Helm wordt volgend jaar 70, maar zit met het fraaie Electric Dirt hopelijk nog maar aan het begin van zijn tweede jeugd. Erwin Zijleman

woensdag 1 juli 2009

Bibio - Ambivalence Avenue

Hoewel 2009 er pas voor de helft op zit, is Bibio al weer toe aan de tweede cd van het jaar. Het alter ego van Stephen Wilkinson bracht eerder dit jaar het opvallende Vignetting The Compost uit, een plaat die ik overigens pas een week of twee geleden ontdekte, maar duikt nu al weer op met Ambivalence Avenue. Ambivalence Avenue is de eerste Bibio plaat die wordt uitgebracht op het eigenzinnige Warp label. Warp is het afgelopen decennium uitgegroeid tot de hofleverancier van avontuurlijke en genre overstijgende elektronische muziek en heeft ook met Bibio weer een sterke troef in huis gehaald. Bibio schakelde op Vignetting The Compost op fraaie en eigenzinnige wijze tussen authentieke Britse folk en moderne elektronica en doet er op Ambivalence Avenue nog een schepje bovenop. Vergeleken met zijn voorganger is Ambivalence Avenue een stuk veelzijdiger en hierdoor nog aansprekender. Stephen Wilkinson heeft op zijn nieuwe plaat gekozen voor een wat poppier geluid en verwerkt hiernaast meer invloeden uit de hip hop. Dit levert gecombineerd met folky popsongs, avontuurlijke elektronica, rustgevende ambient en een zeer creatief gebruik van samples, muziek op die aangenaam voortkabbelt, maar de fantasie tegelijkertijd continu prikkelt. Waar Vignetting The Compost na verloop van tijd wat eenvormig begon te klinken (wat gezien de kwaliteit van de songs overigens geen probleem was), slaat Bibio op Ambivalence Avenue bij iedere track weer nieuwe wegen in. De ene keer is het wat meer folk, dan funk, hiphop, pop, folk, ambient, elektronica en ga zo maar door. Ambivalence Avenue schakelt niet alleen fraai tussen stijlen, maar reist ook op fascinerende wijze door de tijd. Het ene moment waan je je in de vroege jaren 60 of 70; niet veel later reis je door de toekomst van de elektronische popmuziek. Steeds weer verlegt Bibio de grenzen; steeds weer levert het oorstrelende popmuziek op. Ik was een week of twee geleden zeer aangenaam verrast door Bibio’s Vignetting The Compost, maar de nieuwe plaat van Stephen Wilkinson is nog veel beter. Ambivalence Avenue is niet alleen een muzikaal hoogstandje, maar ook een buitengewoon aangename plaat die de huidige broeierige zomeravonden nog een stuk mooier maakt dan ze al zijn. Erwin Zijleman