donderdag 29 april 2010

Emily Jane White - Victorian America

Victorian America van Emily Jane White wordt nog maar eens opnieuw uitgebracht deze week; het is volgens mij al de derde of vierde keer. Wat mij betreft gaat haar platenmaatschappij hier mee door tot de Amerikaanse wereldberoend is, want Victorian America is en blijft een prachtplaat. Het onderstaande verhaal gaat nog altijd op en daarom mag Emily Jane White ook bij de krenten uit de pop op herhaling....
..... Emily Jane White had lange tijd een voorkeur voor punk en metal, maar debuteerde uiteindelijk met een sobere folkplaat die misschien nog wel het best kon worden omschreven als het vrouwelijke antwoord op Nick Drake. Dark Undercoat (2007) werd in haar tijdelijke vaderland Frankrijk op de juiste waarde geschat, maar in Nederland helaas compleet over het hoofd gezien. De geschiedenis herhaalt zich nu met haar tweede plaat Victorian America, want ook de tweede plaat van Emily Jane White, die tegenwoordig vanuit San Francisco opereert, weet tot dusver in Nederland de aandacht helaas niet te trekken. Dat is doodzonde, want Victorian America is een hele mooie plaat die in staat moet worden geacht om een breed publiek aan te spreken. Op haar tweede plaat maakt Emily Jane White uiterst stemmige muziek met invloeden uit de folk, country en blues. De instrumentatie op Victorian America bestaat voornamelijk uit een akoestische gitaar, een piano, een pedal steel en flink wat strijkers. Het geeft de muziek van Emily Jane White een warm, donker en soms wat beklemmend geluid. De smaakvolle instrumentatie draagt nadrukkelijk bij aan de kwaliteit van de tweede plaat van de Amerikaanse, maar het sterkste wapen van Emily Jane White is haar fantastische stem; een stem die de sensualiteit van Hope Sandoval lijkt te combineren met de warmte van Cat Power, de impact van Alela Diane en de passie van PJ Harvey. De combinatie van prachtige sfeervolle klanken en een stem die je absoluut mee weet te slepen, tilt veel van de songs op Victorian America naar grote hoogten, alwaar pas opvalt dat Emily Jane White ook in tekstueel en compositorisch opzicht heel veel te bieden heeft. Victorian America blijkt met name na intensieve beluistering een wonderschone plaat die flink wat impact heeft. Emily Jane White schrijft op het eerste gehoor betrekkelijk toegankelijke songs, maar wanneer je er beter naar luistert valt op dat ze het experiment niet schuwt en meer dan eens kiest voor een onverwachte wending. Victorian America is een donkere plaat die er in slaagt om je op hetzelfde moment somber en gelukkig te laten voelen; een kwaliteit die maar voor weinig platen is weggelegd. De afgelopen jaren zijn flink wat vrouwelijke singer-songwriters in dit genre als heldinnen onthaald, maar na Victorian America vele malen gehoord te hebben, begin ik me steeds nadrukkelijker af te vragen of we de meest getalenteerde van het stel tot dusver niet hebben laten lopen. Erwin Zijleman


woensdag 28 april 2010

The Apples In Stereo - Travellers In Space And Time

De psychedelische popmuziek van de Amerikaanse band The Apples In Stereo gaat inmiddels zo’n 15 jaar mee. Lange tijd achtte ik de band uit Denver, Colorado, in staat om uit te groeien tot een hele grote band, maar op één of andere manier ontstegen The Apples In Stereo nooit de status van een cultband. De afgelopen jaren zijn The Apples In Stereo aanmerkelijk minder productief dan in hun beginjaren, maar een slechte plaat hebben ze tot dusver nog niet afgeleverd. Drie jaar na het uitstekende New Magnetic Wonder, dat volgde op een pauze van bijna vijf jaar, ligt er eindelijk weer een nieuwe Apples In Stereo plaat in de winkel: Travellers In Space And Time. Het is een plaat die nogal anders klinkt dan we van de band gewend zijn. In vrijwel iedere recensie die tot dusver over de plaat is geschreven wordt gerefereerd aan het geluid van Electric Light Orchestra en dan met name aan het geluid dat stamt uit de tijd dat de band rond Jeff Lynne opzichtig flirtte met disco; invloeden die misschien nog wel het meest nadrukkelijk aanwezig waren op de Xanadu soundtrack (waarop ene Olivia Newton-John tekende voor de vocalen). Het zijn niet de invloeden die je verwacht van The Apples In Stereo en waarschijnlijk ook niet de invloeden waar de fans van de band op zitten te wachten. Travellers In Space And Time is in eerste instantie dan ook flink wennen, maar de snel getrokken conclusie dat The Apples In Stereo hun eerste slechte plaat hebben gemaakt moet al snel genuanceerd of zelfs overboord gezet worden. Onder de wat kitscherige 70s disco laag zit immers ook dit keer muziek verstopt die alles heeft dat de muziek van The Apples In Stereo zo leuk maakt. Ook Travellers In Space And Time strooit driftig met perfecte psychedelische popsongs die aan de ene kant anders klinken dan het oudere werk van de band, maar aan de andere kant prima passen in het rijke oeuvre van de band. In eerste instantie was het disco jasje dat zo dominant aanwezig is op Travellers In Space And Time me wat teveel van het goede, maar wanneer de smaakpapillen eenmaal hebben kunnen wennen aan de overdosis zoetigheid valt alles toch weer op zijn plaats. The Apples In Stereo maken inmiddels 15 jaar platen die horen bij een hele grote band en flikken het ook dit keer weer. Een plaat maken die associaties oproept met Olivia Newton-John’s Xanadu, maar die uiteindelijk toch respect afdwingt. Het is niet veel bands gegeven, maar The Apples In Stereo doen het gewoon. Het levert een heerlijke zomerplaat op die tot diep in de winter mee kan. Erwin Zijleman

dinsdag 27 april 2010

Sweet Apple - Love & Desperation

Love & Desperation, het debuut van de Amerikaanse band Sweet Apple, valt in eerste instantie op door de cover art. De foto op de cover lijkt immers als twee druppels water op die van Roxy Music’s Country Life; een foto die destijds overigens flink wat stof deed opwaaien, maar nu waarschijnlijk geen ophef zal veroorzaken Ook het verhaal achter Sweet Apple is mooi. Voorman John Petkovic, die we ook nog kennen van de rockband Cobra Verde en die bovendien enige tijd deel uitmaakte van Guided By Voices, ging na de dood van zijn moeder door een diep dal en besloot om zijn thuisbasis Ohio even achter zich te laten. Hij kwam uiteindelijk ruim 1200 kilometer verderop bij zijn vriend Dave Sweetapple, die in de stoner rock band Witch speelt uit. Sweetapple nodigde op zijn beurt niemand minder dan J. Mascis (vooral bekend van Dinosaur Jr. maar ook lid van Witch) uit en al snel werd besloten om samen muziek te maken als persoonlijke therapie voor Petkovic's leed. Cobra Verde’s Tim Parnin completeerde het kwartet en Sweet Apple was geboren. Opvallende cover art, een mooi verhaal en muzikanten met een respectabele staat van dienst zijn nog geen garantie voor goede muziek, maar dat het ook met de muziek van Sweet Apple wel goed zit bewijst het in een vloek en een zucht opgenomen Love & Desperation. Sweet Apple maakt op haar debuut rockmuziek die de complete geschiedenis van het genre op haar schouders lijkt mee te zeulen. De band maakt bluesy rock die zo lijkt weggelopen uit de jaren 70, rootsrock die van de hand van Tom Petty had kunnen zijn, grunge zoals die in de hoogtijdagen van het genre in Seattle werd gemaakt en alternatieve rockmuziek zoals die gedurende het afgelopen decennium zo vaak is gemaakt. De vier leden van de band blijken competente muzikanten, al is het natuurlijk jammer dat J. Mascis vooral als drummer te horen is op deze plaat; iets wat hem overigens opvallend goed af gaat. John Petkovic drukt het meest zijn stempel op de muziek van Sweet Apple. Via de songs van de band verwerkt hij het verlies van zijn moeder en dat doet hij op indringende wijze. Sweet Apple voert het tempo en het volume zo nu en dan hoog op, maar de band schuwt ook de meer ingetogen momenten niet. Love & Desperation laat zich beluisteren als een behoorlijk veelzijdige en verslavende rockplaat, maar heeft ook nog eens wat te melden. Een betrekkelijk zeldzame combinatie. Of dit fraaie debuut een vervolg krijgt zal de tijd moeten leren, maar Love & Desperation is er zeker een om te onthouden. Erwin Zijleman

maandag 26 april 2010

Shelby Lynne - Tears, Lies, And Alibis

Toen Shelby Lynne in 2000 doorbrak met I Am Shelby Lynne had de Amerikaanse al een vijftal platen op haar naam staan. Het zijn platen die, overigens net als de platen die volgden op haar doorbraakplaat, vaak worden afgedaan als minder interessant of zelfs oninteressant. Hiermee doe je Shelby Lynne flink tekort. Zowel voor als na I Am Shelby Lynne maakte Shelby Lynne een aantal platen die niet onder doen en in enkele gevallen zelfs beter zijn dan de plaat waarmee de ze in 2000 een Grammy binnen sleepte. De critici waren echter zuinig met de lovende woorden en het brede publiek dat Shelby Lynne in 2000 nog wist te bereiken gaf al helemaal niet thuis. Shelby Lynne betaalt kennelijk nog steeds de prijs voor de uiterst zwakke opvolger van I Am Shelby Lynne. Love, Shelby uit 2001 was inderdaad een draak van een plaat, maar met de drie platen die volgden revancheerde Lynne zich op indrukwekkende wijze en leverde ze wat mij betreft minstens één klassieker af (Suit Yourself uit 2005). Door het uitblijven van commercieel succes werd Shelby Lynne gedumpt door de major waarbij ze na I Am Shelby Lynne onderdak had gevonden en ook bij het aansprekende Lost Highway Records heeft ze het helaas maar één plaat uitgehouden (Lynne’s fraaie eerbetoon aan Dusty Springfield). Voor Tears, Lies, And Alibis is Shelby Lynne aangewezen op haar eigen label en tekende ze ook maar direct voor alle songs en de productie. Bij beluistering van Tears, Lies, And Alibis is duidelijk dat we geen medelijden hoeven te hebben met Shelby Lynne. Lynne doet op haar nieuwe plaat precies waar ze zelf zin in heeft en lijkt bevrijd van een loden last. Helemaal alleen stond ze er niet voor, want naast haar vaste band duiken ook grootheden Spooner Oldham en David Hood op voor de productionele ondersteuning. Het levert een plaat op die zich met gemak kan meten met haar beste platen. In muzikaal opzicht put Shelby Lynne nog altijd voornamelijk uit de Amerikaanse rootsmuziek in de breedste zin van het woord. Tears, Lies, And Alibis bevat songs met invloeden uit de country, blues, soul, folk, jazz, pop en rock en kent zowel rauwe en stevige momenten als ingetogen ballads. In muzikaal opzicht klinkt het allemaal als een klok, maar de ware kracht van Shelby Lynne zit in haar prachtige vocalen. Shelby Lynne klinkt op Tears, Lies, And Alibis ontspannen en gelukkig. Dit geeft haar muziek extra kracht en warmte. Tears, Lies, And Alibis is een plaat die snel zal worden omschreven als een prima rootsplaat waarop eigenlijk niets valt aan te merken maar die ook geen opzien zal baren. Het is een omschrijving waarop wat mij betreft weinig valt af te dingen, maar ondertussen kan ik er geen genoeg van krijgen. Erwin Zijleman

zondag 25 april 2010

Caribou - Swim

De Canadees Dan Snaith maakte in het verleden een aantal platen als Manitoba, maar opereert sinds een verloren rechtszaak al weer een aantal jaren onder de naam Caribou. Waar ik van de platen van Manitoba maar moeilijk chocola kon maken, viel het kwartje bij beluistering van de platen van Caribou veel sneller. Caribou’s tweede plaat, Andorra uit 2007, groeide wat mij betreft zelfs uit tot een heuse 5-sterren plaat. Het is een predicaat dat ook binnen het bereik ligt van Caribou’s nieuwe plaat, Swim, al is dit wel een plaat die je makkelijk op het verkeerde been zet, waardoor onderschatting en onderwaardering op de loer liggen. Waar Dan Snaith zich op Andorra nog onderdompelde in 60s psychedelica, staan op Swim eigentijds klinkende beats centraal. Swim is een plaat die je, zeker bij niet al te intensieve beluistering, kunt karakteriseren als een frisse zomerplaat vol toegankelijke dansvloerpop. Voordat een groot deel van de lezers afhaakt, wil ik deze karakterschets onmiddellijk relativeren. Wanneer je wat beter naar Swim luistert begint langzaam maar zeker op te vallen hoe knap de muziek van Caribou in elkaar steekt en hoe gevarieerd de muziek van de Canadees is. Swim is verpakt in een modieus jasje, maar onder dit jasje zit een fascinerende en veelkleurige outfit verborgen. Net als op de vorige twee platen zit de muziek van Caribou ook op Swim weer vol met opmerkelijke geluiden, instrumenten, melodieën en onverwachte invloeden. Caribou laat zich inspireren door onder andere elektronica, dance, techno, indiepop, dreampop en zelfs Krautrock, maar verbergt al deze invloeden onder een warme deken van aanstekelijke zomerpop. Wanneer je met de koptelefoon naar de muziek van Dan Snaith luistert hoor je 1001 verschillende en vaak tegenstrijdige dingen, maar wanneer Swim op de achtergrond uit de speakers komt, hoor je vaak niet veel meer dan bijzonder klinkende maar lekker in het gehoor liggende popmuziek. Deze twee lagen in de muziek van Caribou versterken elkaar nadrukkelijk. Waar je in het verleden de draad wel eens kwijt raakt bij beluistering van de muziek van Dan Snaith, houden de aanstekelijke beats en de toegankelijke melodielijnen dit keer de aandacht moeiteloos vast. Waar dansbare zomerpop over het algemeen snel verveeld en haar kracht verliest wanneer de temperaturen weer iets dalen, is Swim een plaat die door alle onderhuidse lagen en wendingen steeds weer nieuwe dingen laat horen en eigenlijk alleen maar intrigerender wordt. Met Swim heeft Caribou op ontoegankelijke wijze een toegankelijke plaat gemaakt. Swim is een vat vol tegenstrijdigheden waarin je steeds weer nieuwe dingen hoort, maar ondertussen word je ook nog eens getrakteerd op frisse zomerpop die de gevoelstemperatuur met een flink tempo omhoog stuwt. Prachtplaat! Erwin Zijleman

vrijdag 23 april 2010

Rufus Wainwright - All Days Are Nights: Songs For Lulu

De afgelopen jaren was de muziek van Rufus Wainwright me vaak toch net wat te pompeus en theatraal. Waar Wainwright op zijn titelloze debuut uit 1998 en Poses uit 2001 nog koos voor hier en daar rijk georkestreerde singer-songwriter muziek, sloeg de balans de afgelopen jaren steeds meer door richting bombastische en barokke pop. Wainwright zou weer eens een ingetogen plaat met alleen piano moeten maken heb ik vaak gedacht, maar de kans hierop leek de afgelopen jaren alleen maar kleiner te worden. Na zich twee jaar lang als Judy Garland te hebben verkleed, komt Rufus Wainwright nu toch op de proppen met de gedroomde ingetogen plaat, al klinkt deze wel anders dan menigeen zal hebben verwacht. All Days Are Nights: Songs For Lulu is een uiterst persoonlijke plaat waarop Rufus Wainwright het verdriet over de ziekte en uiteindelijk de dood van zijn moeder (Kate McGarrigle) verwerkt. Vanwege de thematiek is All Days Are Nights: Songs For Lulu een sombere en indringende plaat. De eenvoud van de instrumentatie (de piano staat centraal) en Wainwright’s emotievolle en soms bijna wanhopige vocalen versterken het effect dat All Days Are Nights: Songs For Lulu sorteert. Het bombast van zijn vorige platen is dit keer grotendeels verschenen, maar ook op All Days Are Nights: Songs For Lulu pakt Rufus Wainwright de zaken bij voorkeur groots aan, bijvoorbeeld door met drie sonnetten van Shakespeare op de proppen te komen. Ook in de meeste van de andere tracks etaleert Wainwright dat hij een klassiek geschoold pianist is, die ook zonder rijke orkestraties kan zorgen voor enig bombast. De tracks waarin het pianospel van Rufus Wainwright domineert en zijn vocalen een ondergeschikte rol lijken te spelen, zijn wat mij betreft de minder geslaagde momenten op deze plaat. All Days Are Nights: Songs For Lulu ontroert het meest wanneer de piano zorgt voor de basis en het de vocalen van Rufus Wainwright zijn die moeten zorgen voor het raken van de luisteraar. Iets waar Wainwright vervolgens glansrijk in slaagt. All Days Are Nights: Songs For Lulu bevat meerdere van deze momenten. Het zijn momenten waarop Rufus Wainwright ondanks de andere muzikale setting en de verdrietige thematiek terugkeert naar de dagen van zijn eerste twee platen. Omdat All Days Are Nights: Songs For Lulu ook zijn mindere momenten heeft, evenaart Rufus Wainwright het niveau van zijn eerste platen wat mij betreft niet, maar de uitschieters op deze plaat zijn wel dermate fraai dat ik van een krent uit de pop durf te spreken. Wanneer Rufus Wainwright de volgende keer de neiging de concertpianist uit te hangen kan onderdrukken en de emotie van All Days Are Nights: Songs For Lulu weet vast te houden, hangt een plaat in de lucht die de boeken in kan als een klassieker. Tot het zover is voldoet All Days Are Nights: Songs For Lulu uitstekend als de beste Rufus Wainwright plaat in jaren. Erwin Zijleman

donderdag 22 april 2010

Lisa o Piu - Behind The Bend

Lisa o Piu is een Zweedse band rond singer-songwriter Lisa Isaksson. Nog geen jaar geleden maakte de band behoorlijk wat indruk met When This Was The Future; een plaat waarop Lisa Isaksson samen met leden van de Zweedse band Dungen op fascinerende wijze een brug sloeg tussen folk uit een ver verleden, hedendaagse psych-folk en psychedelica van alle tijden. When This Was The Future was een heerlijk zweverige en dromerige plaat, die opviel door de mooie heldere vocalen van Isaksson, een mooie, stemmige en grotendeels akoestische instrumentatie en een laag nevel die de muziek van Lisa o Piu voorzag van het benodigde avontuur. Waar veel soortgenoten zich verloren in teveel zweverigheid en te weinig structuur, hield Lisa o Piu de folksong met een kop en een staart altijd in het achterhoofd, wat zeker op de net wat langere termijn bijdroeg aan de kwaliteit van When This Was The Future. Nog geen jaar na het debuut rammelt Lisa o Piu al weer aan de poort met een nieuwe plaat: Behind The Bend. Behind The Bend volgt voor een belangrijk deel hetzelfde recept als zijn voorganger. De critici zullen Lisa o Piu daarom mogelijk een gebrek aan vernieuwingsdrang verwijten, maar zelf vind ik het niet zo’n probleem. Het debuut van Lisa o Piu smaakte immers naar veel meer en bovendien zou het principe “if it ain’t broke, don’t fix it” ook in de popmuziek wat mij betreft best wat vaker mogen worden toegepast dan momenteel het geval lijkt. Lisa o Piu doet ook op Behind The Bend precies datgene waar de band goed in is en betovert met sfeervolle en dromerige folkpop die oog heeft voor tradities, maar ook niet bang is om buiten de gebaande paden te treden. Net als zijn voorganger is Behind The Bend een tijdloze plaat die net zo makkelijk raakt aan de muziek van folkies uit een ver verleden als Sandy Denny, Vashti Bunyan en Joni Mitchell als aan die van een moderne folkie als Joanna Newsom. Hoewel de muziek van Lisa o Piu standaard niet kiest voor de makkelijkste weg, is ook Behind The Bend weer een bijzonder aangename en rustgevende plaat die je meeneemt naar dromenland en daar trakteert op tracks vol betovering en verrassing. Voor de opnamen van Behind The Bend sloot Lisa o Piu zich op in een Zweeds bos en zo voel je je als luisteraar ook een beetje. In de winter is het er vast guur en donker, maar zolang de zon schijnt is het een oase van rust en geluk. Iedereen die vermoeid de winter uit is gekomen moet zichzelf deze plaat absoluut gunnen. Het effect zal je verbazen. Erwin Zijleman

woensdag 21 april 2010

The Bullfight - Stranger Than The Night

De uit Rotterdam afkomstige band The Bullfight debuteerde zo’n drieënhalf jaar geleden met het uitstekende One Was A Snake. Het bleek een verbijsterend goede plaat die op verrassend veel markten thuis was. The Bullfight kon op haar debuut betoveren als de gemiddelde soundtrack bij een David Lynch film, kon onder je huid kruipen zoals Nick Cave dit kan, verbazen zoals Tom Waits dit zo vaak doet en kon verwarmen zoals Tindersticks dit zo goed kan, maar ook voor rauwe gitaren en aanstekelijke rocksongs kon je bij de Rotterdammers uitstekend terecht. One Was A Snake had gezien de kwaliteit van de plaat zowel nationaal als internationaal moeten opduiken in de jaarlijstjes, maar meer dan wat bijzonder positieve aandacht in de vaderlandse muziekpers zat er helaas niet in. Met Stranger Than The Night keert The Bullfight na drieënhalf jaar eindelijk terug met een plaat die de belofte van het debuut meer dan waar maakt. The Bullfight heeft ruim de tijd genomen voor haar tweede plaat en dat blijkt een verstandig besluit. Stranger Than The Night ligt in muzikaal opzicht en qua sfeer in het verlengde van het zo verrassend sterke debuut, maar The Bullfight heeft rond vrijwel alle aspecten van haar muziek een groeispurt gemaakt. Ook bij beluistering van Stranger Than The Night zullen alle hierboven genoemde namen opduiken als referentiekader, maar The Bullfight heeft, nog meer dan op het debuut, ook een duidelijk eigen geluid. Het is een donker, soms wat beklemmend geluid, waarin intens gitaar - en drumwerk wordt afgewisseld met stemmige strijkers. The Bullfight maakt op Stranger Than The Night bezwerende muziek die behoorlijk wat impact heeft. Waar op One Was A Snake het niveau nog wel eens wisselde, opent Stranger Than The Night meteen ijzersterk en houdt The Bullfight dit hoge niveau vast tot de laatste noten wegebben. Stranger Than The Night is een plaat waarop eigenlijk alles klopt, maar die toch spontaan en rauw klinkt. Het is muziek van een niveau dat de grote voorbeelden van de band al een tijdje niet meer weten te halen en The Bullfight voegt aan de muziek van deze voorbeelden bovendien het een en ander toe. Het is misschien jammer dat Stranger Than The Night verschijnt in een week waarin de lente zich voor het eerst goed laat zien, maar aan de andere kant vormt de muziek van The Bullfight een fraai tegenwicht tegen alle zonnestralen, waardoor zowel de lentedagen als de nog koude en donkere avonden alleen maar mooier worden. Stranger Than The Night van The Bullfight is een plaat die wel weer zal worden ontvangen met kreten als “on-Nederlands goed” en “een plaat met internationale allure”. Het zijn kreten waar ik zelf ook niet vies van ben, maar dit keer ga ik nog een stapje verder: The Bullfight heeft met Stranger Than The Night een wereldplaat gemaakt die iedereen moet horen; te beginnen in Nederland. Erwin Zijleman

dinsdag 20 april 2010

John Grant - Queen Of Denmark

De naam John Grant deed bij mij niet direct een belletje rinkelen, tot ik me realiseerde dat het hier gaat om de voormalige voorman van The Czars. The Czars maakten in de eerste jaren na de eeuwwisseling een drietal geweldige platen (Before ... But Longer uit 2000, The Ugly People Vs. the Beautiful People uit 2001 en Goodbye uit 2004). Het zijn platen die opvielen door de vreemde mix van stijlen (folk, country, psychedelica, dreampop, shoegaze, rock) en het imposante stemgeluid van John Grant. Het zijn platen die met name door de Britse muziekpers werden overladen met superlatieven en hadden moeten uitgroeien tot klassiekers, maar bij het grote publiek bleef de band uit Denver, Colorado, helaas vrijwel onopgemerkt. Sinds het uit elkaar vallen van The Czars bleef het lange tijd stil rond John Grant, die het bekrompen Denver gedesillusioneerd verruilde voor het bruisende New York, maar zich hier maar nauwelijks staande kon houden en vrijwel niet meer aan het maken van muziek toe kwam. Vorig jaar dook Grant echter samen met Midlake de studio in en dit resulteerde uiteindelijk in John Grant’s eerste soloalbum: Queen Of Denmark. Met Queen Of Denmark sluit John Grant een donkere periode uit zijn leven af. Het is een uiterst sombere plaat die slechts hier en daar een door Midlake te voorschijn getoverde zonnestraal laat zien. Queen Of Denmark is ver verwijderd van het veelzijdige en dynamische geluid van The Czars en heeft gedurende vrijwel de gehele speelduur een 70s gevoel en geluid, dat overigens niet naadloos aansluit op de muziek die Midlake op haar laatste maakt. De teksten van John Grant zijn op Queen Of Denmark gitzwart, maar in muzikaal opzicht is de plaat wat minder zwaar. Queen Of Denmark heeft een vol en hier en daar zelfs wat gepolijst geluid, waarin veel ruimte is gereserveerd voor strijkers en blazers. Het contrasteert prachtig met John Grant’s bijzondere stem en zijn uiterst sombere weerspiegelingen op zijn leven en de samenleving. In eerste instantie was ik wat teleurgesteld in de eerste soloplaat van John Grant, die de impact, de dynamiek en het avontuur van de drie Czars klassiekers moet ontberen en in eerste instantie verder wel erg zwartgallig overkomt, maar Queen Of Denmark is veel beter dan je na de eerste luisterbeurt zult vermoeden. Onder de sombere overpeinzingen van John Grant zit meer dan eens een vrijwel perfecte popsong verborgen. Hier en daar raakt het stevig aan het werk van Jeff Buckley, maar ik hoor ook wel raakvlakken met Rufus Wainwright en, met iets meer fantasie, met het werk van Harry Nilsson of Scott Walker. John Grant laat met Queen Of Denmark horen dat er leven is na The Czars. Hij doet dit met een eerste soloplaat die in eerste instantie wat zwaar op de maag ligt, maar al snel uitgroeit tot een kwalitatief hoogstaande plaat die hopelijk de voorbode is van heel veel moois. Erwin Zijleman

maandag 19 april 2010

Dirty Sweet - American Spiritual

Wat krijg je als je alle grote rockplaten uit de jaren 70 in een blender mikt en er vervolgens de ultieme bluesy rockplaat van smeedt? Waarschijnlijk iets als ..Of Monarchs And Beggars van de uit San Diego afkomstige band Dirty Sweet. ..Of Monarchs And Beggars werd drie jaar geleden bejubeld door menig rockjournalist en is goed voor vele speeluren in de cd-spelers van een ieder die oerdegelijke rockmuziek met een flinke dosis blues een warm hart toedraagt. Het valt niet mee om een plaat als ..Of Monarchs And Beggars te overtreffen of zelfs maar te benaderen en opvolger American Spiritual heeft daarom relatief lang op zich laten wachten. Zodra de eerste noten van de nieuwe plaat van Dirty Sweet uit de speakers knallen weet je echter dat het goed zit. Ook op American Spiritual citeert Dirty Sweet nadrukkelijk uit de rockmuziek uit de jaren 70, maar toch is American Spiritual geen herhaling van zetten. Op haar nieuwe plaat tapt Dirty Sweet immers uit een net wat ander vaatje. American Spiritual klinkt wat verfijnder en uitgebalanceerder dan zijn voorganger en bevat bovendien meer invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek, waardoor Dirty Sweet wat dichter tegen The Black Crowes in hun beste jaren aankruipt. Verder klinkt Dirty Sweet in muzikaal opzicht hechter en zijn de songs van de band veelzijdiger en complexer dan op ..Of Monarchs And Beggars. Op basis van het bovenstaande zou je zomaar kunnen concluderen dat Dirty Sweet het schaamteloos rocken verleerd is, maar dat is gelukkig niet het geval. Ook American Spiritual is weer een fantastische rockplaat; er is alleen net iets langer over nagedacht en net iets meer zorg aan besteed. Led Zeppelin IV in plaats van Led Zeppelin II of Let It Bleed in plaats van Beggars Banquet. Met name de invloeden uit de rootsmuziek hebben de muziek van Dirty Sweet verrijkt, waardoor American Spiritual net zo verrassend is als zijn vanuit het niets komende voorganger. Waar ..Of Monarchs And Beggars direct bij eerste beluistering een imposante hoeveelheid kruit verschoot, is American Spiritual wat meer een groeiplaat. Een groeiplaat met bijzonder veel allure, want wat is Dirty Sweet een fantastische band. Waar de grote rockbands uit de jaren 70 vele jaren nodig hadden om een min of meer definitief geluid te ontwikkelen, maakt Dirty Sweet relatief snel na hun doorbraakplaat een grote sprong. Met American Spiritual kan Dirty Sweet nog alle kanten op, maar dat één van de grote rockbands van de jaren 00 en 10 zich heeft aangediend is wat mij betreft zeker. Erwin Zijleman

vrijdag 16 april 2010

Cibelle - Las Venus Resort Palace Hotel

De Braziliaanse Cibelle maakte de afgelopen jaren twee hele knappe en avontuurlijke cd’s. Zowel op Cibelle (2003) als op The Shine Of Dried Electric Leaves (2006) gingen zeer uiteenlopende stijlen hand in hand. De mix van aan de ene kant Braziliaanse samba, tropicalia en bossanova en aan de andere kant dance, electro, soul, psychedelica, jazz en zelfs post-rock prikkelde niet alleen intensief de fantasie, maar had ook alles wat een echte zomerplaat moet hebben. Ook Cibelle’s derde plaat Las Venus Resort Palace Hotel is er weer een om te koesteren. Las Venus Resort Palace Hotel is een conceptplaat die begint met een slechte boodschap. De aarde is verwoest en gereduceerd tot een brokstuk waarop de natuur alles heeft overwoekerd en vreemd gemuteerde dieren de overhand lijken te hebben. Toch is de mens niet helemaal verdwenen. In het Las Venus Resort Palace Hotel resteert nog een handjevol overlevenden. Het lijkt een triest verhaal, maar dat valt best in de praktijk best mee. In het Las Venus Resort Palace Hotel speelt immers iedere avond de huisband Sonja Khalecallon & Los Stroboscopious Luminous en Sonja en haar band spelen avond na avond de resterende pannen van het dak. Sonja Khalecallon is uiteraard een alter ego van Cibelle, die op haar derde plaat verder gaat waar The Shine Of Dried Electric Leaves drie jaar geleden is gestopt. Vergeleken met zijn twee voorgangers is Las Venus Resort Palace Hotel misschien nog wel veelzijdiger en avontuurlijker. Cibelle, die haar derde plaat opnam in Londen, Vancouver, Berlijn en haar thuisbasis São Paolo en hierbij werd bijgestaan door de van Björk bekende producer Damian Taylor, put op Las Venus Resort Palace Hotel nadrukkelijker uit de 60s (variërend van filmmuziek en psychedelica tot Motown) en schuwt zelfs stevige surfgitaren niet. De plaat klinkt net wat minder zonnig dan zijn twee voorgangers, maar ook de derde van Cibelle doet het uitstekend op broeierige zomeravonden. Las Venus Resort Palace Hotel is een plaat die lastig in een hokje is te duwen en steeds weer nieuwe dingen laat horen. Cibelle kiest, zoals we inmiddels van haar gewend zijn, vooral een route buiten de gebaande paden, maar desondanks is Las Venus Resort Palace Hotel een behoorlijk toegankelijke plaat die niet veel tijd nodig heeft om zich in het brein te nestelen. Met haar derde plaat houdt Cibelle het al behoorlijk hoge niveau van haar eerste twee platen moeiteloos vast en is er zelfs enige progressie te horen. Het einde der tijden is nog nooit zo mooi geschetst als op de derde plaat van Cibelle, want voor een beetje muziekliefhebber klinkt het Las Venus Resort Palace Hotel als de place to be. Erwin Zijleman

donderdag 15 april 2010

Paul Weller - Wake Up The Nation

Paul Weller is inmiddels goed voor een indrukwekkend rijtje uitstekende platen in de kast. Tussen 1977 en 1982 maakte hij er minstens vier met The Jam, tussen 1983 en 1985 volgden drie prachtplaten met The Style Council, waarna hij in 1992 begon aan een solocarrière, die tot het uitstekende Illumination uit 2002 ook minstens een handvol bijzonder memorabele platen heeft opgeleverd, waaronder klassiekers als Wild Wood en Heliocentric. Na Illumination leek de koek even op (op zich niet verwonderlijk na 25 jaar presteren op het allerhoogste niveau), maar met het in 2008 verschenen 22 Dreams revancheerde Paul Weller zich knap voor een aantal wat zwakkere platen, zodat ik toch weer met behoorlijk hoge verwachtingen begon aan de man’s nieuwe plaat Wake Up The Nation. Paul Weller’s tiende studioplaat telt maar liefst 16 tracks, waarvan het merendeel rond de twee minuten klokt. Mede dankzij de korte speelduur van het merendeel van de tracks maakt Wake Up The Nation een wat gejaagde indruk. Zeker bij eerste beluistering klinkt de plaat rommelig en onaf zijn zeker niet alle songs even sterk, maar Wake Up The Nation blijkt al snel een groeiplaat. Hoewel Paul Weller de 50 inmiddels is gepasseerd, klinkt hij op zijn nieuwe plaat geregeld als de jonge hond die hij was toen hij nog deel uitmaakte van The Jam. Van alle soloplaten die Weller sinds 1992 heeft uitgebracht raakt Wake Up The Nation wat mij betreft het meest frequent aan het werk van The Jam. Het feit dat Jam-bassist Bruce Foxton is te horen op een aantal tracks zal hier niet al teveel invloed op hebben gehad, maar mogelijk heeft de hernieuwde samenwerking Paul Weller geïnspireerd tot enige muzikale nostalgie. Wake Up The Nation bevat aan de ene kant behoorlijk rauwe rocksongs en aan de andere kant psychedelisch klinkende tracks die voortborduren op de songs op voorganger 22 Dreams. Het zijn songs die ondanks de wat ruwe vorm fraai illustreren wat een fantastisch en toegewijd songwriter Paul Weller nog altijd is. Wake Up The Nation zal niet de boeken ingaan als één van Paul Weller’s beste platen; daarvoor ontbreekt de diepgang die op de genoemde klassiekers wel aanwezig was. Wake Up The Nation laat wel horen dat Paul Weller nog altijd een groot muzikant is en dat hij nog niets van zijn jeugdige elan heeft verloren. De 52-jarige Weller heeft een plaat gemaakt die je van iemand met zijn staat van dienst eigenlijk niet verwacht en je, zeker wanneer je eenmaal bent bekomen van de schrik, meer dan eens van de sokken blaast. En zo wordt een op het eerste gehoor wat rommelig tussendoortje langzaam maar zeer zeker één van Paul Weller’s meest urgente platen van het afgelopen decennium. Erwin Zijleman

woensdag 14 april 2010

Jodymoon - Who Are You Now

Never Gonna Find It In Another Story van het uit Maastricht afkomstige Jodymoon verscheen een paar maanden nadat het duo bestaande uit zangeres Digna Janssen en multi-instrumentalist Johan Smeets aan de haal was gegaan met de publieksprijs in de categorie singer-songwriter. Het bleek een bijzondere plaat die opviel door de fraaie instrumentatie, de krachtige vocalen en zeker ook door de veelzijdigheid van de plaat, die weliswaar meerdere kanten op schoot maar toch een geheel bleef. Inmiddels zijn we twee jaar verder en is Jodymoon terug met Who Are You Now. Who Are You Now volgt op een periode van rust en bezinning en dit heeft Jodymoon goed gedaan. Op haar nieuwe plaat kiest Jodymoon voor een wat stemmiger geluid en persoonlijkere en meer ingetogen songs. De instrumentatie is nog altijd bijzonder fraai, maar klinkt aanmerkelijk anders dan op Never Gonna Find It In Another Story, wat voor een belangrijk deel is te wijten aan de stevige inbreng van het strijkkwartet Matangi. Ook invloeden uit de Americana hebben aan terrein gewonnen op de nieuwe plaat van Jodymoon, al vormen invloeden uit de pop en singer-songwriter muziek nog altijd de belangrijkste bestanddelen van de muziek van het tweetal. Vergeleken met zijn voorganger laat Who Are You Now de nodige groei horen. De instrumentatie en vocalen zijn nog altijd bijzonder fraai, maar de songs zijn intiemer, indringender en aansprekender geworden, wat de kwaliteit van de plaat zeer ten goede komt. Wat vooral opvalt is dat Who Are You Now werkelijk fantastisch klinkt. Dit is deels de verdienste van de producers die werden ingeschakeld voor de nieuwe plaat van het tweetal. Jodymoon werkte in Antwerpen met Frank Duchêne (die eerder werkte met onder andere Hooverphonic, Soulwax en Ozark Henry) die de band een wat directer geluid heeft gegeven en toog vervolgens naar New York waar Bryce Goggin (bekend van Joan As Police Woman en natuurlijk Antony & The Johnsons) zorgde voor een stemmig en meeslepend klankentapijt dat nergens te zwaar op de maag ligt. Net als zijn voorganger is Who Are You Now een plaat die je direct te pakken heeft, maar vergeleken met Never Gonna Find It In Another Story groeit Who Are You Now langer door, waardoor de plaat uiteindelijk een diepere indruk maakt. Ook met Who Are You Now heeft Jodymoon weer een plaat gemaakt die zich moeiteloos kan meten met vergelijkbare muziek die in het buitenland wordt gemaakt. Jodymoon moet dan ook worden gekoesterd als een band waarop we heel trots moeten zijn. Who Are You Now mag tegelijkertijd worden omarmd als één van de betere platen in dit genre van het moment. Nationaal, maar ook internationaal. Erwin Zijleman

dinsdag 13 april 2010

Sharon Jones & The Dap-Kings - I Learned The Hard Way

Oude soul, deel 2. Sharon Jones draait al wat langer mee, maar met het in 2007 verschenen 100 Days, 100 Nights kregen Sharon Jones en haar band The Dap-Kings eindelijk de erkenning die ze op dat moment al een aantal jaren verdienden. Het succes heeft Sharon Jones niet veranderd, want met I Learned The Hard Way gaan Sharon Jones & The Dap-Kings verder waar 100 Days, 100 Nights drie jaar geleden ophield. Sharon Jones & The Dap-Kings maken nog altijd muziek die is geworteld in de jaren 60 en 70 en combineert meerdere invloeden uit de soulmuziek van de betreffende periode. In tegenstelling tot de meeste van haar collega’s probeert Sharon Jones niet aan te sluiten bij invloeden van recentere datum. Neo-soul is ook op I Learned The Hard Way weer een vies woord. Door gebruik te maken van stokoude apparatuur sluit de muziek van Sharon Jones & The Dap-Kings naadloos aan op de soulmuziek uit de jaren 60 en 70. Pure retro dus, maar het is wel retro waar een enorme urgentie van uit gaat. The Dap-Kings (die overigens ook een tijdje met Amy Winehouse hebben gespeeld en naar verluid een flinke vinger in de pap hadden bij het tot stand komen van het geluid dat uiteindelijk terecht kwam op Back To Black) beheersen alle aspecten van de 60s en 70s soul tot in de puntjes en vermengen vrijwel ongemerkt allerlei invloeden, variërend van northern soul en deep funk tot gospel en disco. Het levert muziek op die niet had misstaan in de hoogtijdagen van Stax en Motown, wat nog eens wordt versterkt door de imposante stem van Sharon Jones. I Learned The Hard Way is door het retro karakter misschien geen plaat om heel druk over te doen, maar ondertussen zit je wel bijna 40 minuten op het puntje van je stoel (als je al kunt blijven zitten bij de aanstekelijke klanken van Sharon Jones en haar Dap-Kings) en smaakt I Learned The Hard Way na afloop alleen maar naar veel en veel meer. Sharon Jones heeft misschien niet de uitstraling en commerciële potentie van haar veel jongere Britse en Amerikaanse collega’s, maar zowel in muzikaal als in vocaal opzicht veegt I Learned The Hard Way de vloer aan met de platen van diverse jonkiers die de afgelopen jaren de hemel in zijn geprezen door de internationale muziekpers. I Learned The Hard Way van Sharon Jones & The Dap-Kings is een verbluffend goede soulplaat. Niets meer, maar zeker ook niets minder. Erwin Zijleman

maandag 12 april 2010

Eli "Paperboy" Reed - Come And Get It

Oude soul, deel 1. De jonge Amerikaan Eli “Paperboy” Reed verraste precies twee jaar geleden vriend en vijand met Roll With You. Op zijn tweede plaat (Reed’s debuut uit 2005 werd door vrijwel niemand opgemerkt) imponeerde de blanke Amerikaan met gitzwarte vocalen die vrijwel onmiddellijk deden denken aan grote soulzangers als Sam Cooke en Otis Redding. Eli “Paperboy” Reed bleek niet alleen te beschikken over een geweldige stem, maar schreef ook nog eens songs die in de catalogus van de eerder genoemde grote soulzangers niet hadden misstaan. Roll With You leek weggelopen uit lang vervlogen tijden, maar vond ook aansluiting bij de op dat moment door vrouwen gedomineerde neo-soul, met de platen van Amy Winehouse als belangrijkste vergelijkingsmateriaal. Roll With You bleek de afgelopen twee jaar verrassend goed houdbaar, wat de conclusie rechtvaardigt dat Eli “Paperboy” Reed inmiddels een bescheiden retro-soul klassieker op zijn naam heeft staan. Met Come And Get It doet hij dat nog eens dunnetjes over. Reed brengt zijn derde plaat uit bij een major en werd voor de productie van zijn nieuwe plaat gekoppeld aan topproducer Mike Elizondo, die de afgelopen jaren met veel succes werkte met onder andere Pink, Emimen en Fiona Apple. Het heeft niet eens zo heel veel invloed gehad op het geluid van Eli “Paperboy” Reed, want ook op Come And Get It treedt de Amerikaan weer op gloedvolle en authentiek klinkende wijze in de voetsporen van Sam Cooke, Otis Redding, Wilson Pickett en noem ze maar op. Waar Mike Elizondo normaal gesproken zijn stempel drukt op de platen die hij produceert (vooral goed te horen op Fiona Apple’s Extraordinary Machine), is hij op Come And Get It subtieler te werk gegaan. Het retro geluid dat domineerde op Roll With You vormt ook op Come And Get It de muzikale basis. Elizondo heeft het geluid hooguit wat opgepoetst en voorzien van eigentijdse accenten, waardoor de nieuwe plaat van Eli “Paperboy” Reed dit keer niet alleen authentiek, maar ook verrassend fris klinkt. Ook op Come And Get It haalt Reed de mosterd bij oude soul, blues, rhythm & blues en Motown. Het geluid van zijn door blazers gedomineerde band is nog altijd moddervet, zijn songs nog altijd bijzonder aanstekelijk, maar de geweldige stem van Eli “Paperboy” Reed blijft zijn sterkste wapen. Met bijna speels gemak vertolkt Eli “Paperboy” Reed op Come And Get It de ene na de andere potentiële soulklassieker. Reed maakt muziek waardoor je je onmiddellijk beter gaat voelen. Het is zonnige en warmbloedige muziek die aanvoelt als een warme lentezon. Net als zijn voorganger is Come And Get It zo aanstekelijk en aangenaam dat je bijna zou vergeten wat een ongelooflijk knappe plaat dit weer is. Eli “Paperboy” Reed heeft het em weer geflikt. Erwin Zijleman

zondag 11 april 2010

MGMT - Congratulations

Natuurlijk kon er het een en ander verwacht worden van MGMT. Het New Yorkse duo bestaande uit Ben Goldwasser en Andrew Van Wyngarden debuteerde twee jaar geleden met een door Dave Fridmann geproduceerde plaat (Oracular Spectacular) die niet alleen volstrekt onweerstaanbare popsongs bevatte, maar ook nog eens wist te vernieuwen met neopsychedelische muziek die lak had aan genres en conventies. Oracular Spectacular eindigde terecht hoog in menig jaarlijstje, MGMT schaarde zich onder de leukere bands van de afgelopen jaren en de tweede plaat van de band moet worden gerekend tot de platen waar de afgelopen twee jaar het meest naar is uitgezien. Desondanks komt Congratulations wat mij betreft als een enorme verrassing. Op haar tweede plaat neemt MGMT enige afstand van de eigentijdse popmuziek van haar debuut en neemt het ons mee op een psychedelische luistertrip die begint in de jaren 60 en eindigt in de jaren 80. MGMT heeft dit keer Sonic Boom, oftewel Pete Kember, weten te strikken als producer. Kember maakte in het verleden furore als voorman van cultband Spaceman 3 en heeft MGMT een toch wel wat ander geluid gegeven dan Dave Fridmann, al ligt de muziek van MGMT op Congratulations misschien zelfs wel dichter bij die van The Flaming Lips, die sinds jaar en dag met Dave Fridmann werken. Congratulations is een plaat die niet zo meedogenloos verleidt als zijn voorganger, maar na enige gewenning blijkt de tweede van MGMT ongelooflijk veel impact te hebben. In een aantal redelijk lang uitgesponnen tracks transformeert MGMT muziek die zijn oorsprong lijkt te hebben in de psychedelica uit de jaren 60 langzaam maar zeker naar muziek die vooral in de jaren 80 werd gemaakt. Het aantal invloeden is zo groot dat namen noemen eigenlijk zinloos is. Pink Floyd, The Beatles, The Mamas & The Papas, Talking Heads, Flaming Lips, Love, The Zombies, David Bowie; het zit er op een of andere manier allemaal in, maar over een uur kom ik ongetwijfeld weer met een heel ander lijstje op de proppen. Waar MGMT op haar debuut nog grossierde in perfecte popsongs, maakt het op haar tweede plaat muziek waarin je wat moet zoeken naar de structuur. Wanneer je deze structuur eenmaal hebt gevonden, blijkt de brei aan prachtige psychedelische klanken een fraai en goed doordacht geheel te vormen. Congratulations is een plaat die steeds beter en indrukwekkender wordt en steeds weer nieuwe dingen laat horen. Het is waarschijnlijk even slikken voor de liefhebber van de lichtvoetige popsongs op Oracular Spectacular, maar voor liefhebbers van geestverruimende en bedwelmende muziek vol verrassing, heeft MGMT een plaat gemaakt die zich steeds nadrukkelijker opdringt als een psychedelisch meesterwerk. Congratulations is een buitengewoon indrukwekkende en fascinerende plaat waarmee iedere muziekliefhebber zichzelf uitbundig mag feliciteren. Erwin Zijleman

vrijdag 9 april 2010

Drive-By Truckers - The Big To-Do

Vorig jaar moest de Drive-By Truckers fan het doen met het oerdegelijke live-album Live From Austin TX, de opvallende goede restjesverzamelaar The Fine Print en het verrassend sterke soloalbum van voorman Patterson Hood, Murdering Oscar (And Other Love Songs). Onlangs verscheen de opvolger van het twee jaar oude en inmiddels tot een bescheiden klassieker uitgegroeide Brighter Than Creation’s Dark, The Big To-Do. Waar vorig jaar behoorlijk druk werd gedaan over de verschenen “tussendoortjes”, is het tot dusver opvallend stil wanneer het gaat om de achtste studioplaat van de band uit Athens, Georgia. Het zegt gelukkig niets over de kwaliteit van de nieuwe plaat van de Drive-By Truckers, want ook The Big To-Do is weer een hele sterke plaat. Op The Big To-Do staat het leven in de door een economische crisis geteisterde Verenigde Staten centraal. Dit geeft soms aanleiding tot sombere overpeinzingen, maar aan de andere kant gaat het leven ook gewoon door. Door de thematiek wordt The Big To-Do in nogal wat recensies vergeleken met Bruce Springsteen’s The River, dat de economische crisis uit de Ronald Reagan jaren in memorabele songs goot. Dit is een zinvolle vergelijking wanneer het gaat om de thematiek, maar in muzikaal opzicht is de vergelijking minder treffend of relevant. The Big To-Do is een logisch vervolg op Brighter Than Creation’s Dark en bevat net als zijn voorganger een mix van countryrock, Southern rock, hardrock en rootsrock. De plaat kent een aantal wat meer ingetogen momenten, maar staat toch weer vooral in het teken van intense rocksongs vol spetterend gitaarwerk. Ondanks het torenhoge niveau van zijn voorgangers, laat ook The Big To-Do weer enige progressie horen. De songs vertellen niet alleen geweldige verhalen, maar zitten ook weer net wat beter in elkaar en zijn in muzikaal opzicht nog beter dan die op de vorige platen van de band. Drive-By Truckers is een band die je op het eerste gehoor niet zult verdenken van muzikale genialiteit, maar de intense rocksongs van de band zitten vrijwel zonder uitzondering geweldig in elkaar. Gegrepen door de mooie verhalen en de fantastische songs op The Big To-Do, vond ik dit na een aantal luisterbeurten de beste Drive-By Truckers plaat tot dusver. Gezien het torenhoge niveau van klassiekers als Southern Rock Opera (2001), Decoration Day (2003), The Dirty South (2004), A Blessing And A Curse (2006) en Brighter Than Creation’s Dark (2008) heb ik deze conclusie de afgelopen weken nog wat laten rijpen, maar de op basis van de eerste luisterbeurten gevormde conclusie is blijven staan. De Drive-By Truckers bewijzen met The Big To-Do nog maar eens dat ze moeten worden gerekend tot de beste bands van het moment. De band levert met The Big To-Do haar zoveelste prachtplaat op rij af en heeft bovendien een plaat gemaakt die me nauwelijks te overtreffen lijkt, maar dat heb ik eerder gedacht. Een prachtplaat van een hele fascinerende band. Erwin Zijleman

donderdag 8 april 2010

Peggy Sue - Fossils And Other Phantoms

Bij de naam Peggy Sue denk ik in eerste instantie aan de gelijknamige song van Buddy Holly en hierna aan de countryzangeres die nooit uit de schaduw van haar beroemde zussen Loretta Lynn en Crystal Gayle wist te stappen. Peggy Sue is echter ook de band rond de uit het Britse Brighton afkomstige Rosa Rex en Katy Klaw; een band die via MySpace al een tijdje aan de weg timmert, maar voor het afdwingen van de definitieve doorbraak toch is uitgeweken naar een min of meer conventionele platenmaatschappij (het gelukkig wel lekker eigenwijze Wichita Recordings). Dankzij het de afgelopen jaren in eigen beheer uitgebrachte materiaal waren de verwachtingen met betrekking tot het debuut van Peggy Sue hooggespannen, maar het deze week verschenen Fossils And Other Phantoms maakt deze hoge verwachtingen meer dan waar. Om niets aan het toeval over te laten heeft Peggy Sue voor de productie van haar debuut hulp gezocht bij een aantal momenteel stevig aan de weg timmerende en bevriende muzikanten (Steven Ansell van Blood Red Shoes, Ben Lovett van Mumford & Sons, Alex Newport van Two Gallants en John Askew van The Dodos), maar het zijn uiteindelijk toch Rosa Rex en Katy Klaw zelf die de kar trekken, al mag ook het bijzonder energieke slagwerk van Olly Joyce niet onvermeld blijven. Fossils And Other Phantoms is een plaat die wat te makkelijk het etiket folk opgeplakt zal krijgen, maar dit is een vlag die de lading maar ten dele dekt. Een aantal songs op het debuut van Peggy Sue sluiten goed aan bij die van bevriende folky Laura Marling, maar in een aantal andere tracks put Peggy Sue juist heel nadrukkelijk uit de archieven van de lo-fi of kiest het voor rauwere en veel stevigere songs die ook door P.J. Harvey gemaakt hadden kunnen zijn. Fossils And Other Phantoms blijkt direct bij eerste beluistering een charmante, frisse en avontuurlijke plaat en blijft dit ook. Peggy Sue kiest maar zelden voor de makkelijkste weg en schuwt de emotie niet. Hier en daar rammelt het flink, maar dit maakt de songs van de band eigenlijk alleen maar leuker. In vrijwel alle songs bezingen Rosa Rex en Katy Klaw op gepassioneerde en vaak bijzonder soulvolle wijze ongelukkige liefdes; een terrein waarop beide dames naar verluid zeer ervaren zijn. Hier en daar raakt het zoals gezegd aan Laura Marling, hier en daar aan P.J. Harvey, maar ook de vergelijking met Cat Power en Kate Nash snijdt hout en zo kan ik er nog wel wat verzinnen. Peggy Sue opereert in een bijzonder drukbevolkt genre, maar weet zich dankzij haar onbevangenheid, eigenwijsheid en passie te onderscheiden van de moordende concurrentie. Absoluut een band om in de gaten te houden dus. Dit sprankelende en originele debuut neemt in ieder geval niemand ze meer af en verdient ieder's aandacht. Erwin Zijleman

woensdag 7 april 2010

Black Rebel Motorcycle Club - Beat The Devil's Tattoo

Black Rebel Motorcycle Club, ook bekend als B.R.M.C., debuteerde precies tien jaar geleden met een plaat vol rauwe rock ’n roll die bij menigeen associaties opriep met het werk van The Stooges, maar die wat mij betreft ook herinneringen opriep aan het werk van legendarische bands als The Doors, The Stone Roses, The Jesus & Mary Chain, The Velvet Underground, T. Rex en My Bloody Valentine. Het debuut van B.R.M.C. stond als een huis en werd eigenlijk alleen maar beter; iets wat ook gold voor de minstens net zo goede opvolgers Take Them On Your Own (2003) en Howl (2005). Op de laatstgenoemde plaat verruilde B.R.M.C. invloeden uit de noiserock voor invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek en maakte de band wat mij betreft een plaat die moet worden gerekend tot de betere platen van het afgelopen decennium. Hoge pieken gaan vaak samen met diepe dalen, maar op het in 2007 verschenen Baby 81 zakte Black Rebel Motorcycle Club wel heel ver weg. Baby 81 bleek een overgeproduceerde, futloze en inspiratieloze plaat, die de boeken in kan als één van de grootste miskleunen van de afgelopen jaren. Met het vorig jaar verschenen live-album Live kwam B.R.M.C. wel weer enigszins terug (op zich niet verwonderlijk want het blijft een goede live-band), maar desondanks had ik maar heel weinig vertrouwen in de band’s nieuwe plaat Beat The Devil’s Tattoo. Gelukkig is Beat The Devil’s Tattoo een stuk beter dan de zo beroerde voorganger. In eerste instantie kwam ik vervolgens niet veel verder dan deze kwalificatie, maar de laatste dagen begint de nieuwe plaat van B.R.M.C. toch nog flink te groeien. Op haar nieuwe plaat keert de band uit San Francisco deels terug naar het geluid van Howl. De invloeden uit de folk, blues en gospel die op de vorige plaat zo jammerlijk waren verdwenen, zijn terug en worden gecombineerd met een mix van garagerock, noiserock, psychedelica, shoegaze, glamrock en Britpop. Net als op Howl is er op Beat The Devil’s Tattoo ruimte voor wat meer ingetogen momenten, maar gelukkig kan de band ook nog altijd als geen ander tekeer gaan en schuwt het ook een portie stadionrock niet. Het geluid van B.R.M.C. is inmiddels bekend, waardoor Beat The Devil’s Tattoo onmogelijk zo kan verrassen als de eerste platen van de band, maar de band kan nog wel imponeren met songs die na verloop van tijd memorabel blijken te zijn. Beat The Devil’s Tattoo bevat een aantal van deze songs en hoe vaker ik deze plaat hoor, hoe meer het er worden. B.R.M.C. is op A Devil’s Tattoo van vele markten thuis en blijkt in meerdere genres uistekend uit de voeten te kunnen. De plaat sluit niet naadloos aan op één van zijn voorgangers, maar lijkt het beste van al zijn voorgangers te combineren. De Nederlandse muziekpers reageert tot dusver vooral teleurgesteld op deze plaat, maar een paar keer extra luisteren doet volgens mij wonderen. B.R.M.C. is terug met een plaat die de status van de band recht doet en die gehakt maakt van een groot deel van de overige releases van het moment. Helemaal niks mis mee dus. Erwin Zijleman

dinsdag 6 april 2010

Natalie Merchant - Leave Your Sleep

Voor het laatste wapenfeit van Natalie Merchant moesten we tot voor kort terug naar 2003, toen ze in eigen beheer het prachtige The House Carpenter’s Daughter uitbracht. Deze vooral met traditioneel aandoende folksongs gevulde plaat volgde op drie succesvolle en behoorlijk veelzijdige soloplaten (Tigerlily uit 1995, Ophelia uit 1998 en Motherland uit 2001) en een imposante stapel platen met haar band 10,000 Maniacs. De afgelopen jaren deed Natalie Merchant het vanwege de geboorte van haar dochter wat rustiger aan, maar met Leave Your Sleep is de zangeres die inmiddels al een jaar of dertig hele bijzondere muziek maakt gelukkig weer helemaal terug. Leave Your Sleep is een ambitieuze plaat, waarop Natalie Merchant een aantal gedichten verwerkt tot popsongs. Dat klinkt nogal pretentieus, maar omdat Leave Your Sleep net zo makkelijk aan de slag gaat met literaire hoogstandjes als met eenvoudige rijmpjes voor kinderen, valt dit gelukkig erg mee. Waar Natalie Merchant op The House Carpenter’s Daughter nog koos voor een uiterst sobere setting, zijn op Leave Your Sleep kosten noch moeite gespaard. Aan de plaat werkten in totaal zo’n 125 muzikanten mee, terwijl voor de productie en mix een beroep werd gedaan op zwaargewichten als Andres Levin (bekend van zijn werk met David Byrne), Nick Wollage (verantwoordelijk voor de soundtracks van een aantal aansprekende Britse films) en Steven Rosenthal (die in zijn New Yorkse The Magic Shop studio de groten der aarde voorbij zag komen). De luxe-editie van Leave Your Sleep bevat maar liefst 26 songs en ze klinken bijna allemaal anders. Natalie Merchant koos voor iedere song de best passende muzikanten en nam de tracks vervolgens vrijwel live op, wat een gevarieerd en dynamisch klanken- en stijlenpalet oplevert. Bijgestaan door onder andere The Wynton Marsalis Quintet, Medeski, The Klezmatics, The New York Philharmonic, The Chinese Music Ensemble of New York en The Memphis Boys, schakelt Natalie Merchant met speels gemak tussen onder andere folk, country, jazz, chamber pop, klezmer, cajun, Chinese muziek, bluegrass, reggae en pop. In muzikaal opzicht klinkt het allemaal geweldig en bovendien kleuren de uiteenlopende klanken prachtig bij Natalie Merchant’s unieke stem. Natalie Merchant weet ook op Leave Your Sleep weer te ontroeren met vocalen vol emotie en passie. In technisch opzicht is het misschien geen hele bijzondere zangeres, maar iedere noot die ze zingt komt aan. Leave Your Sleep klinkt aan de ene kant anders dan alles wat Natalie Merchant de afgelopen 30 jaar heeft gemaakt, maar op hetzelfde moment is het toch ook weer een typische Natalie Merchant plaat. Een lange muzikale pauze heeft maar zelden een positief effect op de ontwikkeling van een muzikant, maar Natalie Merchant keert na zeven jaar als herboren terug met een plaat die zich absoluut kan meten met haar beste werk. Met Leave Your Sleep is Natalie Merchant helemaal terug; het is misschien wel het beste muzieknieuws dat 2010 ons tot dusver heeft gebracht. Erwin Zijleman

vrijdag 2 april 2010

Gretchen Wilson - I Got Your Country Right Here

Gretchen Wilson debuteerde zes jaar geleden met Here For The Party. Sindsdien mag ze mij tot haar fans rekenen. De platen die volgden, All Jacked Up uit 2005 en One Of The Boys uit 2007, waren minstens even goed en misschien zelfs wel beter dan het met name in de Verenigde Staten bejubelde debuut en ook Gretchen Wilson’s nieuwe plaat, I Got Your Country Right Here, wist me weer onmiddellijk te overtuigen. In de Verenigde Staten vind je de platen van Gretchen Wilson in de bak “contemporary country, wat haar kansen op Europees succes aanzienlijk reduceert. Dat is jammer, want de muziek van Gretchen Wilson is veel rauwer en veelomvattender dan de naam van de bak suggereert. De op een trailer park opgegroeide Gretchen Wilson is geen katje om zonder handschoenen aan te pakken en dat hoor je terug in haar muziek. Countrymuziek staat weliswaar aan de basis van vrijwel al haar songs, maar ook invloeden uit de honky tonk, southern rock, blues en rock ’n roll zijn dominant aanwezig. Het leverde tot dusver drie geweldige platen op vol pure, oprechte, doorleefde en rauwe countrymuziek. Op (het overigens in commercieel opzicht veel minder successvolle) One Of The Boys leek Gretchen Wilson te kiezen voor wat minder rock ’n roll en wat meer countryballads, maar op I Got Your Country Right Here slaat de balans weer door richting rock ’n roll. Het lijkt af en toe wel of Gretchen Wilson Lynyrd Skynyrd in zijn legendarische bezetting heeft ingehuurd als band, want I Got Your Country Right Here rockt hier en daar stevig en klinkt alsof het bijna live op de band is gezet. Invloeden uit de southern rock worden ook op deze plaat weer vermengd met invloeden uit de toch wat gepolijste en mainstream countrypop, wat een heel bijzonder geluid oplevert. Ook in vocaal opzicht combineert Gretchen Wilson het beste van beide werelden. Haar stem bevat de in countrykringen zo populaire snik, maar klinkt op hetzelfde moment rauw en doorleefd. Omdat Gretchen Wilson ook nog eens steeds betere songs is gaan schrijven (waarin ze overigen geen blad voor de mond neemt), is I Got Your Country Right Here een plaat die zich moeiteloos kan meten met haar vorige platen. Contemporary country of niet: Gretchen Wilson verdient veel respect. Ook in Nederland. Dat I Got Your Country Right Here vervolgens ook nog eens verrast met een portie rock ’n roll waar menige alt-country muzikant een puntje aan kan zuigen is de slagroom op de taart. Erwin Zijleman

donderdag 1 april 2010

Erykah Badu - New Amerykah, Pt. 2: Return of the Ankh

Erykah Badu debuteerde in 1997 met Baduizm. Het is een plaat die niet alleen moet worden gezien als één van de eerste platen in het neo-soul genre (een mix van vintage soul, hiphop en r&b), maar het is bovendien één van de beste platen in dit genre. Baduizm bleek aanvankelijk maar moeilijk te evenaren. Zowel met Mama’s Gun (2000) als met Worldwide Underground (2003) stelde Erykah Badu enigszins teleur, al waren het zeker geen slechte platen. Pas met het twee jaar geleden verschenen New Amerykah, Pt. 1: 4th World War wist Erykah Badu net zo te imponeren als met haar debuut. Op New Amerykah, Pt. 1: 4th World War nam Erykah Badu afstand van de inmiddels wat uitgekauwde neo-soul en bleken invloeden uit de hiphop en funk een stuk belangrijker dan op Baduizm. Het leverde een geïnspireerde plaat op die nog maar eens bewees dat Erykah Badu moet worden gerekend tot de beste en meest creatieve soulzangeressen van het moment. Badu bewijst dit nogmaals met New Amerykah, Pt. 2: Return of the Ankh; een plaat die qua thematiek en concept aansluit bij zijn voorganger, maar toch weer heel anders klinkt. 4th World War was een felle, politiek getinte plaat met vooral uptempo songs; op Return Of The Ankh draait alles op de emotie en overheersen de wat meer ingetogen songs. Return Of The Ankh ligt in muzikaal opzicht weer wat dichter bij Baduizm, al is Erykah Badu in de loop der jaren een stuk veelzijdiger geworden. Invloeden uit de soul staan dit keer centraal, maar uitstapjes richting jazz, psychedelica, blues, funk, hiphop en r&b worden zeker niet geschuwd. Return Of The Ankh is net als zijn voorganger prachtig geproduceerd. De instrumentatie is over het algemeen sober, maar door het veelvuldige gebruik van samples klinkt de plaat avontuurlijk en sprankelend. De echte meerwaarde komt nog altijd van Erykah Badu’s geweldige stem. Op Return Of The Ankh klinkt de Amerikaanse rauw en doorleefd en doet ze in vocaal opzicht denken aan grootheden als Billie Holiday, Aretha Franklin, Roberta Flack en Nina Simone. In muzikaal opzicht vindt Erykah Badu op New Amerykah, Pt. 2: Return of the Ankh aansluiting bij legendarische soulplaten als Marvin Gaye’s What’s Going On en Songs In The Key Of Life van Stevie Wonder. Met deze verbluffend goede plaat, die wat mij betreft het niet te overtreffen Baduizm heeft overtroffen, heeft Erykah Badu zich definitief losgemaakt van de neo-soul en kan ze de boeken in als één van de grote soulzangeressen van de jaren 90, 00 en 10. Een buitengewoon indrukwekkende, indringende en urgente soulplaat. Erwin Zijleman