dinsdag 30 november 2010

Villagers - Becoming A Jackal

Becoming A Jackal van Villagers is inmiddels een half jaar uit, maar ondanks alle lovende recensies wist de cd mijn cd-speler tot dusver niet te bereiken. Een dag nadat ik Elliott Smith op deze BLOG bejubelde als een onnavolgbaar talent kwam het er toch van. Of het toeval is weet ik niet, maar feit is wel dat Villagers me op Becoming A Jackal meer dan eens doet denken aan Elliott Smith. Villagers is in feite een soloproject van de Ierse singer-songwriter Conor J. O'Brien, die zich op Becoming A Jackal manifesteert als een groot en oorspronkelijk talent. Becoming A Jackal bevat een elftal uiterst sobere en soms bijna verstilde folksongs die, net als die van bijvoorbeeld Bon Iver, opvallen door een bijna desolate sfeer. Net als Elliott Smith beschikt Conor J. O’Brien over het vermogen om deze van melancholie overlopende songs te voorzien van een aangenaam en soms bijna lichtvoetig tintje. Troosteloze popsongs met een troostende werking; het is maar weinigen gegeven. O’Brien heeft Becoming A Jackal in zijn uppie gemaakt en heeft hierbij flink geëxperimenteerd met verschillende klanken en arrangementen. Deze zijn soms zo klein mogelijk gehouden, maar kunnen ook flink uitpakken met inventieve pianoloopjes en jankende strijkers. Hierbij komt O’Brien’s aangename, wat hoge, stemgeluid dat de songs op Becoming A Jackal voorziet van nog wat extra onderscheidingskracht. Becoming A Jackal is een plaat die lastig is te omschrijven. Met woorden doe je deze plaat namelijk vrijwel altijd tekort. Dat Conor J. O’Brien ambachtelijke songs schrijft die zowel ontroeren als vermaken is een mooi compliment, maar het zegt nog niets over de bijna betoverende uitwerking die de muziek van Villagers heeft. Een plaat die eerst nog klinkt als een serie knap uitgevoerde popliedjes, blijkt al snel een serie steeds intenser blinkende diamanten. Zowel als in compositorisch, muzikaal en vocaal opzicht klopt eigenlijk alles op Becoming A Jackal, maar tegelijkertijd is het een ontspannen klinkende plaat waarop emotie het wint van perfectie. Conor J. O’Brien vertolkt zijn fraaie songs met hart en ziel en dat heeft zijn effect op de luisteraar. Met name de verstilde en droevige songs staan garant voor een brok in je keel, maar de glimlach is ook nooit ver weg. Ik kan het niet goed praten dat ik deze prachtplaat een half jaar heb laten liggen, maar gelukkig ben ik nog tijd voor de jaarlijstjes. Daarin verdient dit opvallende debuut van Villagers immers zeker een plekje. Erwin Zijleman

maandag 29 november 2010

Chloë & The Lonesome Cowboy - Right At The Sun

Chloë & The Lonesome Cowboy is een uit Brussel afkomstig duo dat onlangs debuteerde met de EP Right At The Sun. Chloë en Bram verrassen op deze EP met acht popliedjes die direct weten op te vallen in het enorme aanbod van het moment, maar pas veel later hun schoonheid prijs geven. In het begin moest ik erg wennen aan de muziek van het tweetal. De instrumentatie op Right At The Sun is uiterst sober en bestaat voornamelijk uit repeterende, en soms bijna minimalistische, gitaarloopjes, die hier en daar zijn versierd met wat andere muzikale accenten (met name piano en percussie). De spaarzame instrumentatie wordt gecombineerd met de afwisselende en over het algemeen expressieve vocalen van Chloë. Right At The Sun weet dankzij het opvallende geluid direct op te vallen, maar het duurde bij mij even voor ik onder de indruk raakte van de muziek van Chloë & The Lonesome Cowboy. In eerste instantie was de instrumentatie me wat te eenvoudig en kon ik maar moeilijk wennen aan de bijzondere zang van Chloë. Na even doorbijten valt echter alles op zijn plaats. De op het eerste gehoor wel erg eenvoudige instrumentatie krijgt na enige tijd een bijna hypnotiserend effect, waarna ook de hier en daar wat onvaste zang van Chloë steeds overtuigender gaat klinken. De muziek van Chloë & The Lonesome Cowboy doet me qua sfeer erg denken aan muziek uit de 60s en 70s. Right At The Sun klinkt, wanneer Chloë op een bepaalde manier zingt, erg folky (denk met name aan Britse folk uit de vroege jaren 70) en wanneer Bram mee gaat zingen zie ik al snel beelden van hippies en vloeistofdia’s voor me. Toch is Right At The Sun geen muzikale tijdreis naar een ver verleden. Hiervoor is de muziek van Chloë & The Lonesome Cowboy te eigenzinnig en vooral te modern. De muziek op Right At The Sun heeft weliswaar zijn wortels in de jaren 60 en 70, maar heeft zich ook nadrukkelijk laten beïnvloeden door 90s lo-fi en de alt-folk van de afgelopen jaren. Hiernaast is de muziek van Chloë & The Lonesome Cowboy niet vies van invloeden uit de pop, waardoor de bezwerende songs op Right At The Sun vaak lichtvoetiger zijn dan je bij eerste beluistering zult vermoeden. Het heeft soms wat van Kristin Hersh en soms wat van Cat Power oude stijl, maar over het algemeen laten Chloë & The Lonesome Cowboy een origineel geluid horen dat zowel authentiek als modern klinkt. Met Right At The Sun zijn Chloë en haar The Lonesome Cowboy er nog niet, maar de belofte is er zeker. Alle reden dus om reikhalzend uit te kijken naar het volwaardige debuut van dit Belgische tweetal. Tot het zover is voldoet deze EP ruimschoots. Erwin Zijleman

Right At The Sun van Chloë & The Lonesome Cowboy kan worden besteld via een mailtje aan chloeandthelonesomecowboy@hotmail.com

zondag 28 november 2010

Cee Lo Green - The Ladykiller

Met Fuck You tekende Cee Lo Green een paar maanden geleden voor de zomerhit van het jaar; iets wat hij een paar jaar geleden ook al eens flikte als zanger van Gnarls Barkley’s Crazy. Nu werkte Green bij Gnarls Barkley samen met Danger Mouse en Cee Lo Green met Danger Mouse is toch iets heel anders dan Cee Lo Green zonder Danger Mouse. Desondanks is Cee Lo Green’s soloplaat The Ladykiller veel beter dan ik had verwacht. The Ladykiller bevat een aanstekelijke mix van r&b, hiphop en neo-soul, die zowel authentiek als modern kan klinken. Hier en daar flirt Cee Lo Green met Motown en 70s filmmuziek, maar ook invloeden uit de eigentijdse soul en r&b hebben hun weg gevonden in de muziek van Cee Lo Green. The Ladykiller is voorzien van een lekker vol klinkend geluid dat flink is opgepoetst met strijkers en blazers. De plaat knalt dan ook uit de speakers en geeft je vrijwel onmiddellijk een goed gevoel. Dit gevoel wordt alleen maar versterkt wanneer Cee Lo Green begint te zingen. Green beschikt over een karakteristiek stemgeluid en een flink bereik. Het is een stem die in meerdere genres uitstekend uit de voeten kan en daarom alle songs op The Ladykiller naar een hoger niveau tilt. De dampende mix van stijlen roept afwisselend herinneringen op aan Al Green, James Brown, Prince en Michael Jackson, maar door het uit duizenden herkenbare stemgeluid is het toch onmiskenbaar Cee Lo Green. Natuurlijk is het zo dat Cee Lo Green zich wel erg makkelijk aanpast aan de smaak van een zo groot mogelijke groep muziekliefhebbers en natuurlijk is The Ladykiller in productioneel opzicht niet zo spectaculair als het debuut van Gnarls Barkley. The Ladykiller is in muzikaal opzicht geen hele bijzondere plaat en ook de kwaliteit van de songs is niet bovengemiddeld hoog. The Ladykiller is vooral een echte feelgood plaat, die het effect dat de plaat sorteert alleen maar kan sorteren dankzij de heerlijk soulvolle vocalen van Cee Lo Green, die wel van wereldklasse zijn. The Ladykiller is geen plaat om heel druk over te doen, maar wel een plaat die een koude en grauwe zondagochtend binnen een paar minuten omtovert in een broeierige zomerdag. The Ladykiller kan voor mij daarom voorlopig niet meer stuk. Erwin Zijleman

vrijdag 26 november 2010

Elliott Smith - An Introduction To ... Elliott Smith

Het was vorige maand al weer 7 jaar geleden dat Elliott Smith onder nooit volledig opgehelderde omstandigheden om het leven kwam. Dit trieste feit was kennelijk reden genoeg om er een verzamelaar van de man’s werk tegenaan te gooien. De zin van een dergelijke verzamelaar ontging me op voorhand. Een ieder die het werk van Elliott Smith een warm hart toedraagt, heeft de man’s meesterwerken waarschijnlijk al lang in huis. De kans dat een nauwelijks gepromote verzamelaar nieuwe zieltjes gaat winnen lijkt me verder uiterst klein. Hoewel ik het complete oeuvre van Elliott Smith in huis heb, ben ik An Introduction To ... Elliott Smith echter toch zeer gaan waarderen en is het momenteel mijn favoriete cd voor in de auto. An Introduction To ... Elliott Smith is een vlag die de lading uitstekend dekt. Op de verzamelaar is plaats voor songs van de vijf platen die Elliott Smith voor zijn dood maakte en de twee platen die postuum verschenen. Van de 14 tracks komen er maar liefst vijf van Either/Or uit 1997. Daar is wat voor te zeggen, want het is de man’s beste plaat. Het betekent echter ook direct dat de andere platen er wat bekaaid af komen. Zo moet het door velen als een meesterwerk bestempelde XO (1998) het doen met slechts één track. Dat geeft niet wanneer je An Introduction To ... Elliott Smith ziet als … een introductie tot het werk van Elliott Smith. An Introduction To ... Elliott Smith laat immers goed horen waartoe Elliott Smith in staat was en laat bovendien horen welke ontwikkeling hij tijdens zijn helaas korte loopbaan door maakte. Met name in zijn beginperiode was Elliott Smith een meester in het maken van eenvoudige maar goed verzorgde popliedjes die op hetzelfde moment rauw en bijzonder doorleefd klonken. Vrolijke popliedjes zijn het niet, want Elliott Smith was zeker geen levensgenieter en zijn verworven status als muzikant had eerder een negatief dan een positief effect op zijn gemoedstoestand. Wanneer je weet hoe het met Elliott Smith is afgelopen maken zijn indringende popliedjes alleen maar meer indruk. An Introduction To ... Elliott Smith laat een singer-songwriter met een uniek geluid en een uitzonderlijk hoog niveau horen. Elliott Smith was getekend door het leven en maakte hier in zijn songs geen geheim van. Al dit leed heeft behoorlijk wat impact, maar Elliott Smith maakte ook razend knappe popsongs die je na één keer horen niet wilt vergeten en direct mee kunt fluiten. Na beluistering van An Introduction To ... Elliott Smith heb je een idee waartoe Elliott Smith in staat was en begint het echte werk. Hiervoor zijn de volledige versies van Roman Candle (1994), Elliott Smith (1995), Either/Or (1997), XO (1998), Figure 8 (2000), From A Basement On The Hill (2004) en New Moon (2007) onmisbaar. Gelukkig zijn ze allemaal voor een aantrekkelijke prijs verkrijgbaar. Spijt zul je er niet van krijgen, dat durf ik wel te beloven. Erwin Zijleman

donderdag 25 november 2010

Duffy - Endlessly

Met haar debuut Rockferry schaarde de uit Wales afkomstige Duffy (volledige naam Aimée Ann Duffy) zich op indrukwekkende wijze onder een op dat moment flink uitdijend contingent Britse soulzangeressen. Hoewel ik Rockferry een prima plaat vond, vond ik Duffy lange tijd niet de beste van het stel. De blue-eyed soul op Rockferry borduurde wel erg makkelijk voort op de muzikale erfenis van Britse zangeressen als Dusty Springfield, Lulu en Petula Clark en bovendien raakte Duffy me net wat minder dan concurrenten als Amy Winehouse en Adele, die toch over een wat doorleefder stemgeluid beschikken. Wat Duffy op de plaat nog niet volledig lukte, lukte haar wel op het podium, waarop ze de vloer aanveegde met al haar concurrenten. Ik verwachte dan ook veel van Duffy’s tweede plaat Endlessly, maar aan deze verwachtingen wordt in openingstrack My Boy op geen enkele manier voldaan. My Boy is een draak van een song, waarvoor Lady Gaga waarschijnlijk haar neus zou ophalen. De songs is zelfs zo slecht dat ik wel drie keer heb gecontroleerd of de juiste cd in de cd-speler zat. Gelukkig herstelt Duffy zich snel en schotelt ze ons geen plaat vol met zeurderige kinderpop voor. Endlessly is geproduceerd door 70s icoon Albert Hammond en dat is wat mij betreft een opvallende keuze, zeker na de keuze voor Bernard Butler voor de productie van Rockferry. Hammond heeft Duffy een wat minder Brits en veel commerciëler geluid gegeven. Het is een geluid dat deels is geworteld in de jaren 50 en 60, maar hiernaast een graantje probeert mee te pikken van momenteel succesvolle zangeressen als de al eerder genoemde Lady Gaga. Endlessly hinkt hierdoor op twee gedachten en is een plaat die wat mij betreft niet volledig is te beluisteren zonder last te krijgen van kromme tenen. De muzikale bloedarmoede is in een aantal tracks absoluut schrijnend te noemen en heeft onmiddellijk effect op de stem van Duffy, die opeens schel en koud klinkt. Hiertegenover staan een aantal prachtige, over het algemeen rijk georkestreerde, maar soms ook verrassend sobere tracks, waarin Duffy laat horen over hoeveel talent ze beschikt. In deze songs is de soul terug in haar stem en kippenvel nauwelijks te vermijden. Ik heb Endlessly inmiddels vele malen gehoord en het contrast tussen de positieve en negatieve uitschieters op deze plaat wordt alleen maar groter. Endlessly bevat een aantal tracks waarvoor Duffy en haar producer zich wat mij betreft heel diep moeten schamen, maar bevat ook een aantal tracks die laten horen dat Duffy moet worden gerekend tot de betere blue-eyed soulzangeressen van het moment. Schrap alle songs van “Lady Duffy” en je houdt een goed gevulde EP met geweldige songs over. Het is wat mij betreft net voldoende, maar ik heb grote zorgen over de toekomst van Duffy. Het is daarom te hopen dat Duffy plat op haar bek gaat met deze plaat en mag uithuilen bij een kleine platenmaatschappij en een wat avontuurlijker ingestelde producer. Vervolgens maakt ze misschien alsnog de wereldplaat die Endlessly had moeten zijn, maar helaas niet is geworden, al is een handjevol tracks zo de moeite waard dat ik deze krenten toch maar uit de pop heb gepikt. Erwin Zijleman

woensdag 24 november 2010

iLIKETRAINS - He Who Saw The Deep

Ik was een jaar of drie geleden behoorlijk onder de indruk van Elegies To Lessons Learnt van het uit Leeds afkomstige iLIKETRAINS. Op hun tweede plaat imponeerden de Britten met een mix van rock, post-rock en post-punk. De muziek van iLIKETRAINS bevatte werkelijk geen spoortje licht en had daarom, zeker in eerste instantie, een wat deprimerende uitwerking op de niets vermoedende luisteraar. De schoonheid won het uiteindelijk toch van de neerslachtigheid en Elegies To Lessons Learnt werd een plaat om te koesteren. De Britten moesten waarschijnlijk zelf ook even bij komen van alle treurigheid, want we hebben ruim drie jaar moeten wachten op He Who Saw The Deep. De nieuwe plaat van iLIKETRAINS sluit desondanks goed aan op zijn voorganger en is wederom een plaat die in eerste instantie zwaar op de maag ligt, je vervolgens compleet opslokt en hierna een wat langere pauze rechtvaardigt. Vergeleken met zijn voorgangers klinkt He Who Saw The Deep net iets toegankelijker. Waar iLIKETRAINS in het verleden nog wel eens tegen bands als Godspeed You Black Emperor! aanschuurde, is de band inmiddels wat meer opgeschoven richting bands als Interpol en Editors, al zijn de invloeden uit de post-rock gelukkig niet helemaal verdwenen. Op He Who Saw The Deep combineert iLIKETRAINS op bijzonder fraaie wijze de deprimerende sfeer van Joy Divsion met flarden post-rock en indierock, Tindersticks-achtige vocalen en eigentijdse klanken die bij een groot publiek in de smaak zouden kunnen vallen. Of dat grote publiek er echt gaat komen valt te bezien, want de muziek van iLIKETRAINS blijft behoorlijk eigenzinnig en onvoorspelbaar en bovendien bijna griezelig intens. Ook He Who Saw The Deep is weer een hele donkere plaat en daar moet je tegen kunnen. Hoewel ik drie jaar geleden intens heb leren houden van Elegies To Lessons Learnt, moest ik weer opnieuw leren wennen aan de nieuwe plaat van iLIKETRAINS. Langzaam maar zeker heeft ook He Who Saw The Deep me echter weer volledig te pakken en begint de plaat te winnen aan kracht en schoonheid. Voor een ieder die bij de grauwe en donkere herst- en wintermaanden best een nog wat donkerdere soundtrack wil beluisteren is de nieuwe van iLIKETRAINS een perfecte plaat, die qua schoonheid en zeggingskracht dit jaar nog niet heel vaak is overtroffen. Een ieder die gevoelig is voor herfst- en winterdepressies en het gebrek aan zonlicht bij voorkeur compenseert met lichtvoetige klanken moet ik echter waarschuwen voor deze gevaarlijk indringende plaat. Erwin Zijleman

dinsdag 23 november 2010

Siskiyou - Siskiyou

Het debuut van Siskiyou, een samenwerkingsverband van twee (voormalige) leden van de Canadese band Great Lake Swimmers, lag al een tijdje op de stapel, maar leek me om duistere redenen geen hele urgente plaat. Het blijkt een enorme misvatting, want Colin Huebert en Erik Arnesen hebben een hele mooie plaat gemaakt, die niet onder doet voor de prima platen die de Great Lake Swimmers de afgelopen jaren hebben gemaakt. Het debuut van Siskiyou (vernoemd naar een prachtig maar onbekend deel van California) heeft duidelijke raakvlakken met de muziek van de Great Lake Swimmers, maar er zijn ook zeker verschillen. Waar de Great Lake Swimmers het afgelopen jaar wat opschoven in de richting van een net wat toegankelijker geluid, zoekt Siskiyou juist net wat vaker het experiment. Het levert een serie wonderschone songs op die het gehoor strelen en de fantasie prikkelen. De muziek van Siskiyou is over het algemeen uiterst sober, aardedonker, voornamelijk akoestisch en voorzien van vocalen die af en toe wel wat aan Neil Young doen denken. Het is echter ook muziek die steeds weer andere wegen in slaat en de luisteraar hierdoor keer op keer op het verkeerde been zet. De ene keer doet Siskiyou dit met bijzondere percussie, de volgende keer met bijna spookachtige harmonieën en de keer erna met onverwachte muzikale accenten, waaronder Mexicaans aandoende trompetten. Het debuut van Siskiyou is door de avontuurlijke of bij vlagen zelfs experimentele inslag een lastig te doorgronden plaat, maar dit is meteen ook de kracht van deze plaat. Siskiyou maakt muziek die afwisselend in de hokjes folk en lo-fi is te stoppen, maar net wanneer je denkt dat het bij deze hokjes blijft komt het tweetal weer met een behoorlijk stevige en gruizige rocksong op de proppen, die echter al weer voorbij is voor je er erg in hebt, waarna een serie songs met een bijna Sparklehorse achtige ingetogenheid volgt. Het debuut van Siskiyou werd opgenomen op de meest uiteenlopende plaatsen, variërend van traphuizen, badkamers en hotelkamers tot stranden en daken, maar klinkt voor het overgrote deel als een plaat die is opgenomen in een gammele schuur in een desolaat aandoende plattelandsetting. Siskiyou opereert in een niet goed definieerbaar genre waarin meerdere bands actief zijn, maar een plaat van het niveau van dit debuut had dit tot dusver nog niet opgeleverd. Siskiyou is mogelijk slechts een zijuitstapje van de Great Lake Swimmers, maar levert een plaat af die moeiteloos kan concurreren met het oeuvre van deze band. Siskiyou heeft een dromerige en mysterieuze plaat vol geheimen gemaakt die goed is voor heel, heel veel luisterplezier. Het is er een die je makkelijk mist, maar eigenlijk niet wilt missen. Erwin Zijleman

maandag 22 november 2010

The Autumn Defense - Once Around

John Stirratt en Pat Sansone maken allebei deel uit van Wilco, maar hebben hiernaast nog voldoende tijd voor andere projecten. Pat Sansone is een veelgevraagd sessiemuzikant, terwijl John Stirratt met zijn zus Laurie muziek maakt onder de naam Laurie en John. Hiernaast vormen John Stirratt en Pat Sansone de basis van The Autumn Defense; een band die de afgelopen jaren bijna stiekem drie hele mooie platen met fraai georkestreerde 60s en 70s West Coast pop en soft rock maakte. Dat leverde drie jaar geleden een bescheiden meesterwerk op in de vorm van de titelloze derde plaat van het tweetal; een plaat die nu wordt gevolgd door Once Around. Ik ben er nog niet uit of Once Around net zo goed is als zijn voorganger (die maakte immers een indrukwekkend groeiproces door), maar een mooie plaat is het zeker. Ook op Once Around maakt The Autumn Defense weer tijdloze popmuziek die herinnert aan de hoogtijdagen van The Beach Boys en Love, maar zeker ook aan Bread (helaas voor veel muziekliefhebbers een vies woord) en in mindere mate Steely Dan. Aan de ene kant hoor je mooi verzorgde popmuziek met invloeden uit de softrock en aan de andere kant de prachtige harmonieën die het geluid van de West Coast pop voor een belangrijk deel bepaalden. Het is muziek die gemengde gevoelens op zal roepen. De criticus zal beweren dat de muziek van The Autumn Defense geen moment vernieuwt en bovendien wel erg gelikt en gezapig klinkt. De liefhebber van dit soort muziek zal roepen dat hier twee topmuzikanten aan het werk zijn die een plaat van een buitengewoon hoog niveau hebben gemaakt. Tenslotte is er nog de toevallige luisteraar die heerlijk zal wegdromen bij de bijzonder aangename klanken van The Autumn Defense en zich zal afvragen of dit nu een nieuwe plaat is of een vergeten meesterwerk uit een ver verleden. Wat mij betreft heeft iedereen gelijk. Once Around is niet vernieuwend en klinkt behoorlijk gepolijst. De mooi opgepoetste popsongs van The Autumn Defense zijn echter ook wonderschoon en volstrekt tijdloos. Once Around zal daarom net als zijn voorgangers genadeloos verleiden en garant staan voor heel veel aangename uurtjes. Op de nieuwe cd van Wilco laten Stirratt en Sansone vast wel horen dat ze ook kunnen vernieuwen en verrassen, maar vooralsnog vind ik het prima zo. Kenners voorspellen een hele strenge winter, maar met Once Around van The Autumn Defense hou ik me probleemloos warm. Erwin Zijleman

zondag 21 november 2010

Steve Wynn & The Miracle 3 - Northern Aggression

Steve Wynn voerde tussen 1981 en 1989 een van de meest legendarische gitaarbands uit de geschiedenis van de popmuziek aan en maakte sindsdien een aardig stapeltje uitstekende soloplaten. Toch ken ik heel wat mensen die niets van Steve Wynn of van zijn band The Dream Syndicate in de kast hebben staan. Om met het laatste te beginnen, The Days Of Wine And Roses uit 1982 mag in geen enkele cd-verzameling ontbreken, terwijl Dream Syndicate (1985) en Live At Raji’s (1989) zeer nadrukkelijk kunnen worden aanbevolen. Het oeuvre van Steve Wynn zelf laat eigenlijk nog steeds een stijgende lijn horen, zodat potentiële liefhebbers van zijn muziek tot voor kort het beste af waren met het in 2008 verschenen Crossing Dragon Bridge. Die plaat krijgt nu stevige concurrentie van Northern Aggression, want ook op zijn nieuwe plaat steekt Steve Wynn weer in een blakende vorm. Wynn en zijn band The Miracle 3 zetten op Northern Aggression een veelzijdig geluid neer, waarin invloeden uit de rock, Paisley (of American) Underground (het genre dat Wynn met The Dream Syndicate op de kaart zette), folk, country en psychedelica overheersen. Steve Wynn heeft nooit een geheim gemaakt van zijn belangrijkste inspiratiebronnen en ook op Northern Aggression is weer goed te horen dat Wynn de muziek van The Velvet Underground (en met name Lou Reed), Neil Young, The Rolling Stones en Big Star een zeer warm hart toedraagt. Toch is er inmiddels ook wel iets als een typisch Steve Wynn geluid en heeft de Amerikaan met name dankzij de muziek van The Dream Syndicate een enorme invloed gehad op talloze hedendaagse gitaarbands. Steve Wynn en zijn band maken op Northern Aggression muziek die direct weet te overtuigen, zonder dat je direct door hebt hoe goed het eigenlijk is. Northern Aggression is al weer de derde plaat die Wynn met The Miracle 3 heeft gemaakt en dat is goed te horen. Wynn en zijn band opereren inmiddels als een hechte eenheid en weten het beste in elkaar naar boven te halen. Hierdoor tovert Northern Aggression de ene na de andere geweldige rocksong uit de speakers. Het zijn aanstekelijke rocksongs vol met geweldig gitaarwerk die zwaar leunen op invloeden uit het verleden, maar ook open staan voor invloeden uit de hedendaagse rockmuziek. Dat Wynn en zijn band meer kunnen dan stevig rocken bewijzen ze met een aantal prachtige ingetogen songs die niemand onberoerd zullen laten. Northern Aggression groeit door al dit moois al snel uit tot de beste soloplaat uit het niet misselijke oeuvre van Steve Wynn en zou uiteindelijk wel eens net zo onmisbaar kunnen zijn als The Days Of Wine And Roses van The Dream Syndicate. De jaarlijstjes gaat Steve Wynn vast niet halen met Northern Aggression, maar als iemand 10, 5, of zelfs 3 betere platen kan noemen in dit genre binnen het aanbod van 2010 hou ik me zeer aanbevolen. Erwin Zijleman

vrijdag 19 november 2010

Faun Fables - Light Of A Vaster Dark

Dawn McCarthey is een vrouwelijke singer-songwriter uit Spokane, Washington (waar ik overigens ooit eens gestrand ben op een grauw trailerpark, maar dit terzijde) die sinds een jaar of negen samen met Nils Frykdahl het duo Faun Fables vormt. Faun Fables maakte in 2004 het veelbelovende Family Album, dat in 2006 op alle fronten werd overtroffen door The Transit Rider. Beide platen werden in het een paar jaar geleden nog erg populaire hokje psych-folk geduwd, maar dit hokje doet geen recht aan de hele knappe muziek die Faun Fables op haar vorige twee platen maakte. Psych-folk lijkt inmiddels van de aardbodem verdwenen, maar Faun Fables blijkt op haar nieuwe plaat, Light Of A Vaster Dark, nog springlevend. Direct bij eerste beluistering van deze plaat zijn twee dingen duidelijk. Allereerst is duidelijk dat Faun Fables op Light Of A Vaster Dark in muzikaal opzicht voortborduurt op zijn twee voorgangers. Hiernaast is duidelijk dat de nieuwe plaat van het duo veel beter is dan deze twee voorgangers en over de potentie beschikt om uit te groeien tot een meesterwerk. Net als op haar vorige twee platen maakt Faun Fables ook op Light Of A Vaster Dark weer muziek die zich door meerdere stromingen laat beïnvloeden. Allereerst zijn er de talrijke invloeden uit de Britse folkrock uit de vroege jaren 70 (The Incredible String Band, Fairport Convention, Steeleye Span). Deze worden gecombineerd met invloeden uit de Amerikaanse West Coast pyschedelica (Jefferson Airplane), maar van psych-folk is geen sprake. Faun Fables vermengd deze twee hoofdingrediënten immers met invloeden uit de Oost-Europese volksmuziek, progrock, indierock, eigentijdse folk en nog een handjevol invloeden. Het resultaat is een vat vol tegenstrijdigheden dat zowel hypermodern als stokoud en zowel verbazingwekkend toegankelijk als behoorlijk experimenteel klinkt. Faun Fables is voor Light Of A Vaster Dark uitgebreid met een aantal gastmuzikanten waardoor de nieuwe plaat van de band voller en gevarieerder klinkt dan zijn voorgangers. In het begin is het even wennen aan de veelheid aan invloeden en de eigenzinnige aanpak, maar wanneer het kwartje eenmaal is gevallen begint Light Of A Vaster Dark aan een indrukwekkend groeiproces, dat voor mij nog altijd niet tot een einde is gekomen. Light Of A Vaster Dark is een stemmige, betoverende en bij vlagen magische plaat met sprookjesachtige klanken en bezwerende songs. De eerste paar keer dat je deze plaat hoort is het happen naar adem, maar dit slaat al snel om in grenzeloze bewondering en lyrische liefdesverklaringen aan het adres van Faun Fables. Light Of A Vaster Dark vat 40 jaar muziekgeschiedenis samen en kijkt 40 jaar vooruit. Een in alle opzichten briljante plaat. Erwin Zijleman

donderdag 18 november 2010

Bruce Springsteen - The Promise

Bruce Springsteen verkeerde in 1975 in topvorm. Met Born To Run had hij eindelijk de zo fel begeerde doorbraak naar een breed publiek afgedwongen (de plaat ging uiteindelijk zo’n zes miljoen keer over de toonbank) en Springsteen was klaar voor veel meer. Door een slepende rechtszaak zou dat meer pas in de zomer van 1978 komen. Het rauwe en donkere Darkness On The Edge Of Town bleek uiteindelijk een uitstekende opvolger van Born To Run en vormde de basis voor de verdere carrière van de man die sindsdien als The Boss door het leven zou gaan. In de drie jaar tussen Born To Run en Darkness On The Edge Of Town nam Springsteen veel meer op dan de tien songs die uiteindelijk terecht kwamen op Darkness On The Edge Of Town. Een deel van deze songs zou uiteindelijk terecht komen op The River, een deel werd bekend in de uitvoering van anderen (Because The Night door Patti Smith en Fire door The Pointer Sisters) en een deel bleef op de plank liggen. The Promise, de deze week verschenen heruitgave van Darkness On The Edge Of Town, doet een greep uit het materiaal dat nog op de plank lag en bevat twee cd’s met voor een belangrijk deel nog niet eerder uitgebrachte Springsteen songs. Springsteen fans die nog een besteding zoeken voor een dertiende maand of eindejaarsbonus kiezen uiteraard voor de meest uitgebreide versie van The Promise, waarin naast de twee cd’s met nieuw materiaal een geremasterde versie van Darkness On The Edge Of Town en drie DVD’s met een documentaire en veel (oud en nieuw) live materiaal zijn te vinden. Gelukkig is ook aan de wat minder daadkrachtige Springsteen fan gedacht, want The Promise is ook verkrijgbaar in een versie die alleen de nog niet eerder uitgebrachte songs bevat. Er valt voor niet al teveel geld verschrikkelijk veel te genieten. The Promise telt maar liefst 21 songs en het zijn allemaal songs die niet hadden misstaan op Darkness On The Edge Of Town. Het moet voor Springsteen vreselijk frustrerend zijn geweest dat hij drie jaar lang geen platen kon uitbrengen en anderen aan de haal gingen met de succesformule van Born To Run, maar het heeft geen negatief effect gehad op de muziek die hij gedurende deze periode maakte. Sterker nog, de 21 songs die op The Promise zijn terecht gekomen laten een gedreven muzikant horen die zoekt naar nieuwe muzikale en tekstuele wegen. Hoewel de songs inmiddels meer dan 35 jaar oud zijn (hier en daar is er overigens wel hoorbaar aan gesleuteld), klinkt vrijwel alles op The Promise actueel en urgent. The Promise is dan ook veel meer dan wat restjes uit een ver verleden. Het is misschien wel de ontbrekende schakel in het oeuvre van Bruce Springsteen (de missing link tussen Darkness On The Edge Of Town en The River) en op zijn minst een noodzakelijke aanvulling op Darkness On The Edge Of Town. Er verschijnen momenteel prachtige reissues, maar er zijn er niet veel die de geschiedenis herschrijven. The Promise doet dit wel en doet dit bovendien op buitengewoon imponerende wijze. Verplichte kost derhalve. Erwin Zijleman

woensdag 17 november 2010

The Greenhornes - ****

The Greenhornes uit Cincinnati, Ohio, leken een jaar of tien geleden voorbestemd om uit te groeien tot een hele grote band. Ondanks twee uitstekende platen met energieke en volstrekt tijdloze garagerock en de uitgebreide steun van White Stripes voorman Jack White, kwam het er echter niet van en bleef de band steken in de obscuriteit. White kaapte de ritmesectie van de band vervolgens weg voor The Raconteurs en een aantal van zijn andere hobbyprojecten (The Dead Weather, Blanche), waarmee het einde van The Greenhornes een feit leek. Na een stilte van acht jaar zijn The Greenhornes echter terug met een plaat waarop de tijd lijkt stil te hebben gestaan. **** lijkt net als zijn twee voorgangers weggelopen uit het verre verleden en combineert het beste van onder andere The Sonics, The Kinks, The Who, The Rolling Stones, The Beatles, The Pretty Things, The Zombies, The Yardbirds, The Animals en ga zo nog maar even door. Dat is al vaker gedaan en misschien zelfs wel te vaak, maar probeer **** maar eens te weerstaan. The Greenhornes grossieren op **** in vijfsterren popliedjes met geweldige gitaarloopjes, onweerstaanbare zang en harmonieën en refreinen en melodieën waaraan de meeste songwriters een puntje kunnen zuigen. The Greenhornes doen hierbij geen enkele poging om alle invloeden uit het verre verleden te vernieuwen en hebben een plaat gemaakt die ook best aan het einde van de jaren 60 gemaakt had kunnen worden. Als dat gebeurd was was het nu absoluut een klassieker geweest. **** bevat een aantal stevige en energieke songs, maar ook flink wat songs waarin The Greenhornes gas terug nemen en imponeren met briljante songs. Het blijft natuurlijk de vraag of het knap is om muziek die decennia geleden al eens gemaakt is nauwgezet te reproduceren, maar, nogmaals, probeer *** maar eens te weerstaan. Je zou verwachten dat een plaat als **** snel gaat vervelen, waarna je weer ouderwets grijpt naar de klassiekers van de bovengenoemde bands, maar ook dat blijft niet het geval. **** is bij eerste beluistering leuk en wordt vervolgens alleen maar leuker. Er zijn 1001 bands die teren op de rijke geschiedenis van de popmuziek, maar er zijn er maar een paar die dit zo goed doen dat ze iets toevoegen aan alles wat in het verleden al gemaakt is. The Greenhornes is er daar één van en levert met **** een bescheiden pareltje in het genre af. Geweldige plaat! Erwin Zijleman

dinsdag 16 november 2010

Rumer - Seasons Of My Soul

In Nederland moeten we om onduidelijke redenen nog tot februari op de release van het debuut van Rumer wachten, maar in Engeland raakt men momenteel niet uitgepraat over Seasons Of My Soul. Toch wel enigszins tot mijn verbazing lopen gerenommeerde muziektijdschriften als Uncut en Mojo (die het debuut van Rumer zelfs tot cd van de maand heeft uitgeroepen) hierbij voorop. Dit is verrassend omdat Rumer muziek maakt die het op het eerste gehoor best in het hokje “easy listening” of “middle of the road” gestopt mag worden. Vraag een luisterpanel van 100 geblinddoekte muziekliefhebbers wie op Seasons Of My Soul te horen is en ik denk dat er zeker 50 met de naam Karen Carpenter op de proppen komen. Seasons Of My Soul laat zich beluisteren als verloren gewaand werk van The Carpenters, maar ook de vergelijking met alle zangeressen die met Burt Bacharach hebben gewerkt, de vergelijking met een deel van het werk van Laura Nyro en raakvlakken met het werk van Norah Jones en k.d. lang zijn relevant. Rumer is geboren in Pakistan, maar is opgegroeid in Engeland. Van haar originele wortels is niets terug te horen op Seasons Of My Soul, dat vooral is geïnspireerd door de muziek waar de jonge Rumer in Engeland kennis mee maakte. Met de bovenstaande hokjes en vergelijkingen heb ik waarschijnlijk al heel veel lezers weggejaagd, maar iedereen die nog over is, heeft met Seasons Of My Soul een plaat in handen die de komende maanden voor de nodige warmte zal zorgen. Het debuut van Rumer wordt gekenmerkt door honingzoete en wonderschone arrangementen en minstens even zoete vocalen, die echter ook over heel veel soul beschikken. Net als Karen Carpenter beschikt Rumer over het vermogen om je in de ziel te raken met haar zang. Seasons Of My Soul kabbelt in eerste instantie nog buitengewoon aangenaam voort, maar wanneer Rumer eenmaal voor het eerste kippenvel heeft gezorgd gaat ze door tot het pijn doet en wint Seasons Of My Soul aan kracht, diepgang en bezwering. De vocalen en arrangementen zijn wonderschoon, maar ook op de kwaliteit van de songs van Rumer is helemaal niets aan te merken. De verbazing over alle drukte in Engeland rond Seasons Of My Soul ebt daarom snel weg en maakt plaats voor enorme bewondering. Rumer heeft een plaat gemaakt die zelfs de strengste winter tot een waar genoegen zal maken. Het is bovendien een plaat die veel langer mee kan en zomaar uit kan groeien tot het debuut van een hele grote vrouwelijke singer-songwriter. Ik zou niet tot februari wachten, maar deze prachtplaat zo snel mogelijk in huis halen. Erwin Zijleman

maandag 15 november 2010

Brian Eno - Small Craft On A Milk Sea

Hoewel ik Brian Eno bewonder als producer en respecteer als eigenzinnig muzikant, had ik tot dusver niets met zijn soloplaten. Ik werd niet betoverd of bedwelmd door de ambient klanken op de platen die hij de afgelopen decennia uitbracht en werd er eigenlijk alleen maar heel ongeduldig of zelfs onrustig van. Of dat aan de muziek van Brian Eno of aan mijn karakter ligt laat ik in het midden, maar feit is wel dat ik geen enkele plaat van de man in de kast had staan. Ik ging er eigenlijk van uit dat het onlangs verschenen Small Craft On A Milk Sea daar niets aan zou veranderen, maar vanwege de buitengewoon lovende recensies en zeker ook het feit dat de plaat is uitgebracht op het Warp label, werd ik zo langzamerhand toch nieuwsgierig naar Small Craft On A Milk Sea. Het was wederom geen liefde op het eerste gehoor, want ook de nieuwe plaat van Brian Eno hoort absoluut thuis in het hokje ambient; een genre waarmee ik niet heel veel heb. Het bleek echter al snel ambient met een Warp-twist. Het Warp label is inmiddels al een aantal jaren zo ongeveer het enige label dat elektronische muziek uitbrengt die me weet te boeien; enerzijds omdat de platen die op het label zijn uitgebracht zoeken naar raakvlakken met andere genres en anderzijds omdat er van alles gebeurt op de platen op het eigenzinnige label. Ook op Small Craft On A Milk Sea gebeurt van alles. In eerste instantie domineren de ambient klanken waar Brian Eno patent op heeft, maar net wanneer de aandacht bij mij wat begint te verslappen krijgt Small Craft On A Milk Sea een impuls met moderne elektronica, complex gitaarwerk en dreigende beats. Eno werkt op zijn nieuwe plaat samen met geluidskunstenaar Jon Hopkins en gitarist Leo Abrahams en dat blijkt een verstandige keuze. De oude meester zet op zijn nieuwe plaat de lijnen uit en zorgt voor de grove inkleuring, waarna Hopkins en Abrahams de verdere inkleuring mogen doen. Waar Eno zich beperkt tot waterige pasteltinten, kiezen zijn jonge muzikale medestanders voor felle en soms zelfs schreeuwerige kleuren en blijven ze zeker niet binnen de door Eno getekende lijntjes. Het resultaat is een ambient plaat die zelfs mij op het puntje van de stoel houdt. Small Craft On A Milk Sea combineert lome klanken met stevige impulsen en verkent hierbij soms voorzichtig en soms nadrukkelijk andere genres. Waar Brian Eno tot dusver vaak muziek maakte die het goed doet in supermarkten, liften en op vliegvelden is Small Craft On A Milk Sea een plaat die de bezoekers van deze gelegenheden met bijna spookachtige uitbarstingen zo nu en dan de stuipen op het lijf zou jagen. Het is misschien even slikken voor de liefhebbers van pure ambient, maar voor de muziekliefhebber van wie het best wat heftiger en avontuurlijker mag is het smullen. Small Craft On A Milk Sea is de eerste Brian Eno plaat die een plekje in mijn platenkast verdient. Het is meteen een ereplekje binnen de nieuwe aanwinsten van het moment. Erwin Zijleman

zondag 14 november 2010

Emily Jane White - Ode To Sentience

Emily Jane White behoort tot het selecte gezelschap artiesten van wie een plaat tweemaal is besproken op deze BLOG. Het prachtige Victorian America gaf hier wat mij betreft ook alle aanleiding toe, maar ondanks het feit dat de plaat de afgelopen twee jaar een aantal keren opnieuw is uitgebracht en steeds kon rekenen op zeer positieve recensies, is het helaas een obscure parel gebleven. White’s derde plaat, het deze week verschenen Ode To Sentience, heeft het in zich om de derde obscure parel in het oeuvre van de Amerikaanse singer-songwriter te worden, maar vooralsnog ga ik er van uit dat deze plaat wel de erkenning zal oogsten die Emily Jane White met haar vorige twee platen al zo verdiende. Ode To Sentience ligt voor het overgrote deel in het verlengde van Victorian America. Ook op haar derde plaat vertolkt Emily Jane White donker getinte songs met voornamelijk invloeden uit de folk en country. Het zijn vooral ingetogen songs die het moeten doen met een sobere, maar bijzonder stemmige instrumentatie, waarin strijkers zo nu en dan zorgen voor een bijna angstaanjagende sfeer. Het zijn songs waarin Emily Jane White haar persoonlijke teksten op indringende wijze voordraagt. Net als op haar vorige platen is haar prachtige stem het meest doeltreffende wapen. Emily Jane White beschikt over een veelzijdig en emotievol stemgeluid, dat het beste van vele werelden verenigt. Ik hoor wat van Margo Timmins (Cowboy Junkies), PJ Harvey, Hope Sandoval (Mazzy Star), Cat Power, Jesse Sykes en Sinead O’Connor; stuk voor stuk zangeressen die ik hoog heb zitten. Met een sfeervolle en trefzekere instrumentatie en een aansprekende stem ben je al een heel eind op weg, maar voor een plaat die kan concurreren met het beste dat momenteel in dit genre verschijnt is meer nodig. Ook dit meer heeft Emily Jane White te bieden. De Amerikaanse schrijft songs die van alles met je doen. Emily Jane White legt zoveel emotie in haar persoonlijke songs dat zelfs het grootste ijskonijn geraakt zal worden door haar zang. Hiernaast weet White steeds weer te verrassen. De ene keer met aardedonkere en uiterst sobere songs, de volgende keer met wonderschone arrangementen en dan opeens weer met een lichtvoetig tintje dat je op basis van de andere tracks niet had verwacht. Net als Victorian America is Ode To Sentience geen plaat die rustig voortkabbelt op de achtergrond. Het is een plaat die je compleet opslokt en meesleurt naar de donkere wereld van Emily Jane White. Het is een indrukwekkende luistertrip vol wonderschone momenten. Op basis van Victorian America mochten we Emily Jane White al een grote belofte voor de toekomst noemen. Deze belofte maakt ze met haar nieuwe plaat meer dan waar. Prachtig. Erwin Zijleman

vrijdag 12 november 2010

Black Dub - Black Dub

Black Dub is de gelegenheidsband rond zangeres Trixie Whitley; de dochter van de precies vijf jaar geleden overleden muzikant Chris Whitley. Het is niet zomaar een band. Achter de drumkit vinden we meesterdrummer Brian Blade (die speelde met de groten der aarde (onder wie Joni Mitchell, Norah Jones, Emmylou Harris en Bob Dylan) en hiernaast als soloartiest aan de weg timmert), de bas wordt beroerd door de van Emmylou Harris en The Neville Brothers bekende Daryl Johnson en de gitaar wordt bespeeld door niemand minder dan Daniel Lanois, die uiteraard ook tekende voor de productie. Alleen de bijdrage van Daniel Lanois is voor mij al reden genoeg om van het titelloze debuut van Black Dub te houden. Niet iedereen is gecharmeerd van zijn gitaarspel en zijn met veel galm omgeven productiewerk, maar voor mij geldt dat alles wat Daniel Lanois aanraakt verandert in goud (inclusief de geweldige samenwerking met Neil Young op Le Noise). In muzikaal opzicht staat de muziek van Black Dub als een huis. Brian Blade is een buitengewoon creatief drummer, maar zijn drumwerk is ook swingend en functioneel. Daryl Johnson is een bescheiden bassist, maar hij beschikt wel over de technische bagage om de onnavolgbare Brian Blade constant op de hielen te blijven. Op deze avontuurlijke maar ook oerdegelijke basis kan het gitaarwerk van Daniel Lanois breed uitwaaien, waarna zijn productionele vaardigheden de rest doen. Het debuut van Black Dub heeft het duistere moerasgeluid dat we inmiddels van Daniel Lanois kennen en het is een geluid dat uitstekend past bij de veelzijdige muziek die Black Dub ons voorschotelt. Het is muziek die zich laat beïnvloeden door meerdere stijlen, waaronder soul, blues, jazz, rock, New Orleans rhythm & blues en invloeden uit de Caribische muziek, maar die ondanks de veelheid aan invloeden verbazingwekkend consistent klinkt. De songs op deze plaat zijn in een aantal gevallen donker en indringend, maar er staan ook veel swingende en lichtvoetige tracks op het debuut van de band, wat er voor zorgt dat de plaat op meerdere momenten en bij meerdere gemoedstoestanden tot zijn recht komt. Ik heb het tot dusver nog niet gehad over de zang van Trixie Whitley. Op voorhand had ik eerlijk gezegd verwacht dat de jonge zangeres ten onder zou gaan in al dit muzikale geweld, maar niets is minder waar. Trixie Whitley is de ster op deze plaat en geeft alle tracks net dat beetje extra. Net als haar vader is ze gezegend met een rauwe stem die je diep onder de huid kan raken en net als haar vader klinkt alles wat ze zingt soulvol en oprecht. Daniel Lanois ontdekte ooit Chris Whitley en heeft nu zijn dochter ontdekt. Bijgestaan door een fantastische gelegenheidsband stijgt ze direct tot grote hoogten. Of Black Dub een blijvertje is durf ik niet te voorspellen. Duidelijk is wel dat het debuut van de band nog maar eens de klasse van Brian Blade, Daryl Johnson en Daniel Lanois onderstreept, terwijl op hetzelfde moment Trixie Whitley op imponerende wijze op de kaart wordt gezet. Het levert alleen maar winnaars op, onder wie absoluut de muziekliefhebber. Erwin Zijleman

donderdag 11 november 2010

Sufjan Stevens - The Age Of Adz

Sufjan Stevens trok ruim zeven jaar geleden de aandacht met Greetings From Michigan: The Great Lake State. Het was niet alleen een prachtige plaat vol eigenzinnige en moderne folk, maar ook het eerste deel van een ambitieus project om voor alle 50 staten van de VS een conceptplaat te maken. Een geweldig idee als je het mij vraagt, maar ik zie het er niet meer van komen. We zijn inmiddels 7 jaar verder en Sufjan Stevens is vooralsnog blijven steken bij twee platen (in 2005 verscheen de tweede plaat in de serie, Illinoise), wat betekent dat hij nog zo’n 175 jaar nodig gaat hebben om het project af te ronden wanneer hij in het huidige tempo door gaat althans. Sufjan Stevens heeft de afgelopen jaren wel andere platen gemaakt. Deze waren een stuk wisselvalliger dan Greetings From Michigan: The Great Lake State, al mag ook Seven Swans uit 2004 best een meesterwerk genoemd worden. De afgelopen jaren presteerde Sufjan Stevens ver onder zijn kunnen en was zijn output minimaal, maar met The Age Of Adz heeft hij eindelijk weer eens een plaat gemaakt die er toe doet. Bij beluistering van The Age Of Adz valt de gedachte dat Sufjan Stevens in 75 minuten de schade van de afgelopen jaren in wil halen nauwelijks te onderdrukken. The Age Of Adz loopt over van ideeën en zoals we van Sufjan Stevens gewend zijn domineren de goede ideeën. The Age Of Adz wordt in de pers al de Kid A van Sufjan Stevens genoemd, maar met deze bewering wordt maar één kant van het verhaal verteld. Net als Radiohead op Kid A heeft Sufjan Stevens op The Age Of Adz de snaarinstrumenten verruild voor een goedgevulde bak met elektronica. Beats en een breed assortiment aan vreemde geluiden domineren het merendeel van de songs op deze plaat en persoonlijk vond ik dat wel even slikken. Het niet direct positieve oordeel bij eerste beluistering werd bij mij nog eens versterkt door het bij vlagen behoorlijk pompeuze karakter van de songs op The Age Of Adz en de in eerste instantie nauwelijks te doorgronden songstructuren. The Age Of Adz wint echter aan kracht wanneer je de plaat vaker hoort. Ook The Age Of Adz heeft zijn meer ingetogen momenten en in veel van de op het eerste gehoor wat chaotische songs blijken wel degelijk popliedjes verstopt. Persoonlijk hoor ik Sufjan Stevens liever in een wat meer ingetogen setting, maar The Age Of Adz prikkelt absoluut de fantasie en gaat me steeds meer overtuigen (iets wat Radiohead met Kid A nooit gelukt is). The Age Of Adz vereist een open mind en het nodige geduld, maar vervolgens heb je ruim vijf jaar Illinoise eindelijk weer eens een volwaardige Sufjan Stevens plaat in handen. Het is een plaat die niet voldoet aan de verwachtingen en waarschijnlijk ook niet aan de wensen, maar zouden we niet teleurgesteld zijn geweest als Sufjan Stevens hier wel aan had voldaan? The Age Of Adz is de volgende hopeloos eigenwijze plaat van een van de smaakmakers van het afgelopen decennium en het is wederom een hele goede. Punt. Erwin Zijleman

woensdag 10 november 2010

The Phantom Band - The Wants

The Phantom Band uit Glasgow maakte ruim anderhalf jaar geleden heel veel indruk met haar debuut Checkmate Savage. Dat de plaat vervolgens niet werd omarmd door een breed publiek en derhalve ook niet in grote hoeveelheden over de toonbank ging, wekte bij mij geen verbazing. Op haar debuut verraste The Phantom Band immers met behoorlijk ongrijpbare muziek vol niet alledaagse invloeden, waaronder flink wat invloeden uit de Krautrock; geen muziek die op het dagelijkse menu van een grote groep muziekliefhebbers staat. Checkmate Savage bleek een plaat vol trage, dreigende en buitengewoon avontuurlijke muziek die steeds weer nieuwe dingen liet horen en daarom na ruim anderhalf jaar nog totaal niet verveelde. Mijn eerste reactie bij de aankondiging van de tweede plaat van de band was dan ook: “nu al?”; een groter compliment kan ik Checkmate Savage eigenlijk niet maken. Ook de tweede plaat van de Schotten, The Wants, had maar weinig tijd nodig om me te overtuigen, maar gezien de vele groeibriljanten op het debuut van de band heb ik de plaat even laten rijpen. Direct na eerste beluistering van The Wants was ik lyrisch over de tweede plaat van The Phantom Band en na een rijpingsproces van een week of twee is mijn bewondering voor deze plaat alleen maar toegenomen. Ook op haar tweede plaat verwerkt The Phantom Band de meest uiteenlopende invloeden in haar muziek. De band is nog altijd niet vies van invloeden uit de Krautrock, maar ook invloeden uit de new wave en de folk zijn nadrukkelijk aanwezig. Het geluid op Checkmate Savage was al niet bepaald opgewekt te noemen, maar The Wants klinkt nog een stuk donkerder. Gecombineerd met de veelheid aan invloeden en het vaak wat experimentele karakter van de muziek van The Phantom Band, is ook The Wants geen plaat die bij een groot publiek in de smaak zal vallen, al moet gezegd worden dat The Phantom Band er op een of andere manier toch ook in slaagt om songs met een duidelijke kop en een staart af te leveren. Vergeleken met Checkmate Savage is The Wants niet alleen donkerder en veelzijdiger, ook de instrumentatie en de vocalen hebben aan kracht gewonnen. In de instrumentatie is meer ruimte ingeruimd voor percussie en elektronica, welke fraai wordt gecontrasteerd met uiteenlopende en vaak verrassende instrumenten. In vocaal opzicht raakt The Phantom Band hier en daar aan Nick Cave, maar dan wel in een breekbare variant, wat de muziek van de band extra zeggingskracht geeft. Ik zou de muziek van The Phantom Band graag vergelijken met die van andere bands, maar dit is een heilloze weg. Talking Heads, Neu!, The Delgados, The National, Nick Cave; het is een eerste start, maar ook niet meer dan dat. Laten we het er maar op houden dat The Phantom Band unieke muziek maakt. Deze was op de band’s debuut Checkmate Savage al van een ongekend hoog niveau, maar op The Wants gaan de Schotten hier met gemak over heen. De jaarlijstjes gaan ze er vast niet mee halen, maar dat The Wants moet worden gerekend tot de bijzondere platen van 2010 is wat mij betreft zeker. Erwin Zijleman

dinsdag 9 november 2010

Ou Est Le Swimming Pool - The Golden Year

Ou Est Le Swimming Pool zal waarschijnlijk worden herinnerd als de band waarvan de zanger zelfmoord pleegde tijdens een popfestival (Pukkelpop 2010). Een aantal maanden na deze trieste gebeurtenis is alsnog het debuut en op hetzelfde moment ook de zwanenzang van de Britse band verschenen. The Golden Year is een wat wrange titel van een plaat die eigenlijk voor de doorbraak van de band had moeten zorgen. De kans dat dit zou zijn gelukt lijkt me erg groot, want The Golden Year is een overtuigend debuut dat absoluut naar meer smaakt. Ou Est Le Swimming Pool vist uit een vijver waarin op het moment wat te vaak en op wat te grote schaal wordt gevist, maar als een van de weinige nieuwkomers slagen de Britten er in om een eigen geluid neer te zetten. Ou Est Le Swimming Pool vindt het merendeel van haar inspiratie in de synthpop uit de jaren 80. Denk aan Depeche Mode, New Order en Yazoo, maar ook zeker aan lichtvoetigere varianten als The Human League en de Pet Shop Boys. Op The Golden Year staan vooral aanstekelijke deuntjes, maar het zijn wel deuntjes die blijven hangen en die bovendien over enige diepgang beschikken. Het laatste mag vooral op het conto worden geschreven van de zanger die inmiddels niet meer onder ons is, Charles Haddon. Het zijn Haddon’s aardedonkere teksten die de muziek van Ou Est Le Swimming Pool een wat beklemmende sfeer geven; zeker waneer je je realiseert waartoe de sombere gedachten van Charles Haddon uiteindelijk hebben geleid. The Golden Year van Ou Est Le Swimming Pool kan daarom misschien nog het best worden omschreven als New Order met Ian Curtis, al bereikt Ou Est Le Swimming Pool op haar debuut c.q. zwanenzang nog niet het niveau van Joy Divsion of New Order. The Golden Year is vooral een plaat van belofte. Je hoort een band aan het werk die er nog niet is, maar wel overloopt van goede ideeën. Het is helaas een belofte die nooit vervuld zal worden, want de kans dat de rest van de band zonder de unieke inbreng van Charles Haddon potten gaat breken lijkt me klein. The Golden Year is wat mij betreft dan ook vooral een eerbetoon aan de betreurde zanger van de band. Het is hiernaast een voorbeeld voor de 1001 andere bands die momenteel aan de haal gaan met het recyclen van synthpop invloeden uit de jaren 80. Dit is een overbodige exercitie, tenzij je er net als Ou Est Le Swimming Pool in slaagt om invloeden uit het verleden te combineren met een eigen geluid dat in het heden tot zijn recht komt en ook nog eens toekomstbestendig is. Dat juist Ou Est Le Swimming Pool hierin slaagt is gezien de gebeurtenissen van afgelopen zomer doodzonde. Door de zelfmoord van Charles Haddon zal The Golden Year van Ou Est Le Swimming Pool niet verder komen dan een voetnoot in de geschiedenis van de popmuziek. Een hele aardige voetnoot, dat wel. Erwin Zijleman

maandag 8 november 2010

Paul McCartney & Wings - Band On The Run (2010 Edition)

Ik ben een enorm groot fan van Paul McCartney en koester bijna alles wat hij de afgelopen vijf decennia heeft gemaakt. Wanneer ik zijn beste plaat uit het post-Beatles tijdperk moet kiezen weet ik direct in welke periode ik het moet zoeken (1970-1973), maar de keuze tussen McCartney, Ram en Band On The Run is normaal gesproken geen makkelijke. Op het moment is kiezen echter geen probleem, want uiteraard kies ik voor Band On The Run, waarvan onlangs een geremasterde en met extra’s uitgebreide versie is verschenen. Band On The Run was in 1973 de derde plaat waarop naast de naam van McCartney ook de naam Wings prijkte, maar omdat Paul McCartney wel een erg stevige vinger in de pap had, kan de plaat net zo goed worden gezien als een McCartney soloplaat. Het in Lagos, Nigeria, opgenomen Band On The Run heeft eigenlijk alles wat de muziek van Paul McCartney zo bijzonder maakt. Zelden schreef McCartney sterkere songs dan onder andere Band On The Run, Jet, Mrs. Vandebilt en Let Me Roll It en zelden klonk hij in muzikaal en vocaal opzicht zo gedreven als op deze plaat. Dat Band On The Run 37 jaar na dato nog niets van zijn glans heeft verloren verbaast me dan ook niet. De reissue van Band On The Run is de eerste in een serie reissues (Paul McCartney Archive Collection) en is verkrijgbaar in vele smaken, waarbij de prijs behoorlijk op kan lopen. De meest voor de hand liggende uitvoering komt met een bonus cd met opnamen van de tv-special One Hand Clapping en een DVD met beeldmateriaal van dezelfde special en beelden van de opnamesessies in Nigeria. De extra’s (en met name het beeldmateriaal) zijn absoluut de moeite waard, maar ze vallen uiteindelijk in het niet bij de muzikale genialiteit op Band On The Run. Band On The Run werd in 1973 vooral vergeleken met Abbey Road van de Beatles en er zijn inderdaad raakvlakken tussen beide platen. Persoonlijk prefereer ik overigens Band On The Run. Waar Paul McCartney op Abbey Road wordt getekend door het dreigende uiteenvallen van The Beatles, klinkt hij op Band On The Run geïnspireerd en bevrijd. Het levert een plaat op die moet worden gerekend tot de kroonjuwelen van de popmuziek en daarom in geen enkele muziekcollectie mag ontbreken. Een ieder die hem nog niet heeft doet zijn of haar voordeel met deze fraaie reissue. Een ieder die hem al lang heeft profiteert van de sterk verbeterde geluidskwaliteit en de interessante extra’s. De maand voor kerst zal ook dit jaar weer in het teken staan van reissues, maar veel interessanter dan deze zul je ze waarschijnlijk niet tegen komen. Erwin Zijleman

zondag 7 november 2010

Nina Kinert - Red Leader Dream

De Zweedse singer-songwriter Nina Kinert was een paar jaar geleden nog achtergrondzangeres bij onder andere Ed Harcourt en Ane Brun, maar met het uitstekende Pets & Friends eiste ze twee jaar geleden met succes haar eigen plekje in de spotlights op. Op Pets & Friends toonde Nina Kinert zich niet alleen een uitstekend zangeres, maar wist ze bovendien op te vallen met sterke songs, een bijzondere instrumentatie, een breed palet aan stijlen en een aangenaam avontuurlijke inslag. Vorig jaar moesten we het doen met de reissue van Kinert’s een paar jaar geleden niet opgemerkte debuut Let There Be Love, maar nu ligt dan eindelijk de echter opvolger van Pets & Friends in de winkel. Let There Be Love was overigens een prima plaat met mooie ingetogen popliedjes, maar het avontuur van Pets & Friends werd uiteindelijk toch wel wat gemist. Dit avontuur is gelukkig helemaal terug op Red Leader Dream. Het eerste dat opvalt aan Red Leader Dream is de als je het mij vraagt spuuglelijke cover. Het is een cover die je verwacht bij complexe symfonische rock of duistere gothrock, maar niet bij de verleidelijke en betoverende muziek van Nina Kinert. Wanneer je het achtergrondverhaal bij deze plaat kent en de muziek hebt gehoord, blijkt de cover overigens niet helemaal misplaatst. Om met het laatste te beginnen, Red Leader Dream klinkt behoorlijk “spacy”. Keyboards domineren het geluid en leggen over het algemeen breed uitwaaiende, dromerige, atmosferische en avontuurlijke klankentapijten neer. De elektronische klanken kleuren mooi bij de wederom prachtige vocalen van Nina Kinert, die deze vocalen dit keer heeft versterkt door hier en daar koortjes toe te voegen. Red Leader Dream is, zeker bij eerste beluistering, een behoorlijk ongrijpbare plaat. De songstructuren zijn behoorlijk experimenteel, de instrumentatie zit vol rare geluidjes die steeds op net iets andere manier de aandacht vragen en ook de manier waarop de zang is opgenomen en invloeden uit de wereldmuziek zijn geïntegreerd vragen wat van de luisteraar. Red Leader Dream is echter ook een praat om verschrikkelijk van te genieten. De dromerige songs op Kinert’s derde plaat hebben een bijna hypnotiserende uitwerking op de luisteraar en laten ook steeds weer nieuwe dingen horen. In muzikaal opzicht hoor ik hier en daar wel overeenkomsten met de muziek van de Cocteau Twins, maar Red Leader Dream ligt ook in het verlengde van Pets & Friends en heeft hiernaast een duidelijke futuristische component. Nina Kinert bewees met haar vorige twee platen al dat ze zich eenvoudig staande kan houden binnen het enorme contingent (Scandinavische) vrouwelijke singer-songwriters, maar bewijst met Red Leader Dream dat ze tot de toppers binnen dit segment behoort. Rest de vraag wat Nina Kinert heeft bewogen tot het maken van een futuristisch klinkende plaat als Red Leader Dream. Het antwoord is simpel. Kinert lag als jong meisje eens een paar weken in het ziekenhuis en doodde de tijd door eindeloos naar Star Wars films te kijken. Sindsdien droomt ze er van om zelf in een science fiction film te spelen. Of dat er van gaat komen durf ik niet te voorspellen, maar dat de perfecte en wonderschone soundtrack klaar ligt is absoluut zeker. Erwin Zijleman

vrijdag 5 november 2010

Jamey Johnson - The Guitar Song

Sinds een aantal weken heeft The Guitar Song van Jamey Johnson de toppositie van de ranglijst van metacritic in handen, wat betekent dat deze plaat door de gemiddelde (en voornamelijk Amerikaanse) muziekcriticus het best wordt gewaardeerd. Omdat de gemiddelde Amerikaanse muziekcriticus een voorkeur lijkt te hebben voor rap, hiphop of vage elektronica neem ik de lijst zeker niet altijd serieus, maar wanneer een countryplaat de lijst aanvoert is er volgens mij echt iets aan de hand. Dat The Guitar Song van Jamey Johnson in Europa tot dusver geen poot aan de grond heeft gekregen is overigens niet zo vreemd. Jamey Johnson maakt nogal traditioneel aandoende countrymuziek die betrekkelijk ver staat van de alternatieve country stijlen die we in Europa zo weten te waarderen. Nu ben ik zelf ook niet gek op traditioneel aandoende countrymuziek, maar ik ben er ook zeker niet allergisch voor. Het betekende wel dat ik The Guitar Song van Jamey Johnson een paar keer heb moeten horen voor ik ook voorbij alle country clichés kon luisteren. Jamey Johnson is namelijk niet vies van clichés. Zowel in muzikaal, vocaal als tekstueel opzicht voldoet The Guitar Song op het eerste gehoor volledig aan alle vooroordelen die veel Europese muziekliefhebbers hebben ten opzichte van traditionele Amerikaanse countrymuziek. Onbevooroordeeld luisteren doet in het geval van The Guitar Song echter wonderen. The Guitar Song is een ambitieuze plaat die bestaat uit twee cd’s. Op de eerste cd, The Black Album, staan de donkere songs centraal. Het zijn gitzwarte songs vol persoonlijk leed en liters sterke drank om al dit leed te verdrinken. Jamey Johnson kiest voor een betrekkelijk traditioneel aandoend country geluid, maar als je goed luistert hoor je ook een rauw randje, zeker wanneer de gitaren iets steviger mogen uitpakken. Het enige dat vervolgens nog ontbreekt is een donkere en doorleefde stem die al dit leed overtuigend kan vertolken en ook daarover beschikt Jamey Johnson. Het is een stem die ook prachtig past bij de iets minder donkere songs op The White Album (cd 2), al zou The Dark Grey Album een betere benaming zijn geweest voor deze tweede schijf. The Guitar Song is een plaat die ik thuis niet op kan zetten zonder ruzie te krijgen, maar iedere keer als ik even alleen ben zet ik hem op en geniet ik steeds meer van deze plaat die veel interessanter is dan je op het eerste gehoor zult vermoeden. Jamey Johnson heeft met The Guitar Song een traditioneel aandoende countryplaat gemaakt die puur en oprecht is, maar ook bijna stiekem buiten de gebaande paden treedt. Het is een plaat die een ieder die zich er voor open stelt volledig zal inpakken, waarna The Guitar Song al snel zal worden toegevoegd aan het lijstje met de beste rootsplaten van 2010. Vanwege het hokje waarin deze plaat wordt geduwd zullen heel wat bevooroordeelde rootsliefhebbers deze plaat helaas missen. Dat is echt dood en doodzonde. Erwin Zijleman

donderdag 4 november 2010

Buddy Guy - Living Proof

Buddy Guy wordt volgend jaar 75, maar zoals het een ware bluesman betaamt weet hij van geen ophouden. Chicago’s King Of Blues maakt sinds de tweede helft van de jaren 60 platen en heeft sindsdien een even omvangrijk als wisselvallig oeuvre opgebouwd. De laatste jaren is Buddy Guy wat minder productief en wisselt hij prachtplaten (Sweet Tea uit 2001 is misschien wel de beste plaat die hij gedurende zijn lange carrière heeft gemaakt) af met platen die misschien maar beter achterwege hadden kunnen worden gelaten. Het nu verschenen Living Proof valt absoluut in de eerste categorie. Living Proof is voorzien van een fors uitgevallen sticker waarop is te lezen dat Carlos Santana en B.B. King zijn te horen op deze plaat, maar dat is eigenlijk nauwelijks van belang. Op Living Proof draait immers alles om Buddy Guy. De 74-jarige muzikant onderkent op Living Proof dat hij niet het eeuwige leven heeft en blikt daarom maar alvast dankbaar terug op een mooi leven. Tegelijkertijd voelt Buddy Guy zich nog lang niet versleten en noemt hij zich in de prachtige openingstrack dan ook “74 Years Young”. Deze openingstrack laat meteen horen waartoe Buddy Guy in staat is. 74 Years Young opent ingetogen, maar zodra Buddy Huy zijn rauwe en doorleefde strot open trekt ben je bij de les. Om vervolgens op het puntje van je stoel te zitten wanneer Buddy Guy zijn eerste gitaarsolo op je afvuurt. Guy is nog altijd een geweldig gitarist, die hoorbaar invloed heeft gehad op menig roemruchte bluesgitarist (onder wie zeker Eric Clapton, Jeff Beck, Gary Moore en Stevie Ray Vaughan). Buddy Guy heeft inmiddels een respectabele leeftijd bereikt, maar hij vertolkt zijn blues nog altijd vol vuur en passie en op een buitengewoon hoog niveau. Guy vertelt op Living Proof prachtige verhalen en ik geloof ze allemaal. Heel vernieuwend is het allemaal niet, maar het klopt allemaal. Liefhebbers van een portie rauwe en doorleefde blues met flink wat spetterend gitaarwerk kan ik daarom geen betere bluesplaat aanbevelen dan Living Proof van Buddy Guy. Laten we vervolgens hopen dat Buddy Guy nog vele jaren mee kan, want een bluesman van dit niveau kan niet gemist worden. Erwin Zijleman

woensdag 3 november 2010

Elvis Costello - National Ransom

Het is dit jaar 33 jaar geleden dat Elvis Costello debuteerde met My Aim Is True. De plaat werd in 1977 uiteraard in het hokje punk geduwd, maar is, zeker achteraf bezien, veel meer dan dat. Elvis Costello heeft zich de afgelopen decennia ontwikkeld tot een buitengewoon veelzijdig muzikant, die in meerdere genres uit de voeten kan. Persoonlijk heb ik echter lange tijd niet zo heel veel gehad met de muziek van de Brit (wat waarschijnlijk vooral aan mij ligt). Eigenlijk ben ik Elvis Costello pas gaan waarderen toen hij in 2004 The Delivery Man uitbracht; wat mij betreft een van de betere rootsplaten van het betreffende jaar. Ook sindsdien is mijn liefde voor de muziek van Elvis Costello zeker niet onvoorwaardelijk, al vond ik het samen met Allen Toussaint gemaakte The River In Reverse (2006) en het vorig jaar verschenen Secret, Profane & Sugarcane erg goed. Inmiddels is er al weer een plaat van Elvis Costello verschenen; als ik snel tel zijn 33e, National Ransom. Costello schudt de platen de afgelopen jaren met speels gemak uit zijn mouw en ook National Ransom is weer in een vloek en een zucht opgenomen. Naar verluid had Costello slechts 11 dagen nodig voor zijn nieuwe plaat, maar hij werd in de studio in Nashville dan ook wel omringd door gelouterde topkrachten onder wie producer T-Bone Burnett en muzikanten Marc Ribot, Buddy Miller en Leon Russell. Elvis Costello omarmde de Amerikaanse rootsmuziek gedurende zijn carrière een aantal malen, maar de laatste jaren lijkt hij een intieme en vaste relatie met het genre te hebben opgebouwd. Op National Ransom beperkt Costello zich niet tot een bepaald segment van de Amerikaanse rootsmuziek, maar bestrijkt hij het genre in de breedste zin van het woord. Folk, country, blues, jazz, bluegrass en rock ’n roll hebben allemaal een plekje gekregen op National Ransom en Costello schiet op deze plaat ook nog eens zo makkelijk door de tijd dat het er alle schijn van heeft dat de man de tijdmachine heeft uitgevonden. Het achteloze gemak waarmee Elvis Costello en zijn muzikale vrienden deze plaat uit de grond hebben gestampt heeft ook een keerzijde. Je vraagt je bij beluistering van National Ransom meer dan eens af of Costello niet gewoon lekker muziek aan het maken is met vrienden en eigenlijk nog veel beter kan. Het is een legitieme vraag die echter niets af doet aan de kwaliteit van National Ransom. National Ransom is een hele sterke plaat met een aantal 24 karaat songs. Hier en daar heb je het idee dat Costello niet het onderste uit de kan haalt, maar zo lang dit ook nog 16 of 18 karaat songs oplevert valt er als je het mij vraagt niets te klagen. National Ransom is over de hele linie misschien geen klassieker in het oeuvre van Elvis Costello, maar het is wel een plaat van een niveau dat maar zelden wordt bereikt. Niet over zeuren dus, maar gewoon genieten van deze zoveelste prachtplaat van een unieke muzikant. Erwin Zijleman

dinsdag 2 november 2010

Taylor Swift - Speak Now

Ik was ruim anderhalf jaar geleden behoorlijk positief over Fearless, de tweede plaat van de op dat moment pas 18 jaar oude Taylor Swift (zie hier). De Amerikaanse was op het moment van schrijven al een grote ster in eigen land en inmiddels heeft ze ook Europa aan haar voeten gekregen. Haar derde plaat, Speak Now, lijkt daarom verzekerd van commercieel succes, maar een in artistiek opzicht geslaagde plaat ligt veel minder voor de hand. Dit gold natuurlijk ook al voor Fearless, waarop Taylor Swift voornamelijk behoorlijk gladde countrypop maakte, al had deze op een of andere manier een eigenwijze twist, waarna Taylor Swift’s vocale capaciteiten de rest deden. Ik was op voorhand sceptisch over de nieuwe plaat van Taylor Swift, maar Speak Now heeft me aangenaam weten te verrassen. Om je te laten verrassen door de nieuwe plaat van de inmiddels bijna 21 jaar oude Amerikaanse moet je een aantal belangrijke waarden opzij zetten. Een ieder die gruwelt van muziek die in eerste instantie is gericht op het behalen van commercieel succes is bij Taylor Swift aan het verkeerde adres en ook iedereen die rekent op muzikale uitstapjes buiten de gebaande paden van de Amerikaanse countrypop heeft op Speak Now niets te zoeken. Speak Now biedt vergeleken met Fearless net wat minder contemporary country en net wat meer pop, waardoor de plaat zich ergens tussen platen van de Dixie Chicks, Faith Hill, Shania Twain en Miranda Lambert manoeuvreert. Het is in muzikaal en productioneel opzicht af en toe even doorbijten, maar Taylor Swift houdt zich wat mij betreft opvallend makkelijk staande. Dat heeft aan de ene kant te maken met haar geweldige stem, die het hart van countrypopliefhebbers zal doen smelten, maar ook liefhebbers van alternatieve rootsmuziek niet onberoerd zal laten. Aan de andere kant heeft Taylor Swift voor Speak Now een serie opvallend sterke songs geschreven. Het zijn songs die bijzonder aangenaam in het gehoor liggen, maar ook weten te prikkelen. Hierbij komt nog eens dat Taylor Swift op Speak Now iets te vertellen heeft. De transitie van meisje is ook bij Taylor Swift niet gegaan zonder de nodige vervelende ervaringen en deze weet ze prachtig te verwoorden, waarbij grootheden als Kanye West en John Mayer niet gespaard worden. Natuurlijk valt er een hoop af te dingen op Speak Now, zeker door een ieder die zijn of haar rootsmuziek bij voorkeur in alternatieve vorm tot zich neemt. Mij heeft Taylor Swift echter wederom te pakken. Of het nog een keer gaat lukken met dit recept betwijfel ik, maar mogelijk is Taylor Swift in staat tot grootsere muzikale prestaties. Het is gezien de persoonlijke kwaliteiten die ze tentoon spreidt op Speak Now zeker niet uit te sluiten. Erwin Zijleman

maandag 1 november 2010

Mt. Desolation - Mt. Desolation

Omdat Keane het tijdelijk wat rustiger aan doet, vonden toetsenist Tim Rice-Oxley en (gast)gitarist en bassist Jesse Quin de tijd rijp voor een muzikaal uitstapje. Het was het begin van Mt. Desolation; een project waarbij al snel andere muzikanten aanhaakten, onder wie Ronnie Vannucci (The Killers), Tom Hobden (Noah and the Whale) en Country Winston (Mumford & Sons). Het debuut van Mt. Desolation ligt inmiddels in de winkel en het is wat mij betreft een verrassend sterke plaat. Gezien de verwantschap tussen Keane en Snow Patrol, ligt de vergelijking met het Snow Patrol hobbyproject Tired Pony voor de hand. Tired Pony koos op haar een paar maanden geleden verschenen debuut voor een geluid dat redelijk ver verwijderd was van de toegankelijke rockmuziek van Snow Patrol en verrassend veel invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek bevatte. Vreemd genoeg geldt voor het debuut van Mt. Desolation precies hetzelfde. De muziek van Mt. Desolation doet me nauwelijks denken aan die van Keane en bevat flink wat invloeden uit de folk en de countrymuziek, wat nog eens wordt verstrekt door de behoorlijk in het oor springende bijdragen van banjo en viool. Mt. Desolation kleurt een aantal songs op haar debuut betrekkelijk sober in, maar de plaat bevat ook een aantal tracks waarin de band klinkt als Springsteen’s E-Street Band op zijn best. Naast de fraaie en gevarieerde instrumentatie valt vooral de prachtige stem van Jesse Quin op. Quin beschikt over een veelkleurig stemgeluid dat zowel in de meer ingetogen folksongs als in de wat uitbundigere rocksongs uitstekend tot zijn recht komt. Ook de songs op het titelloze debuut van Mt. Desolation zijn van hoog niveau. Het zijn songs waarin de band de balans weet te vinden tussen toegankelijke popsongs waarmee je stadions zou kunnen vullen en wat meer ingetogen rootsmuziek die het vooral goed doet in een intieme setting. Het debuut van Mt. Desolation staat bol van de invloeden. Deze gaan terug tot de Flying Burrito Brothers en komen via de Traveling Wilbury’s en Jeff Buckley uit bij Keane met een stevige rootsinjectie. Waar het debuut van Tired Pony wat tijd nodig had, heeft de wat mij betreft veel betere plaat van Mt. Desolation me direct te pakken. Wat mij betreft is dit dan ook geen tijdelijk uitstapje, maar de start van iets heel erg moois. Dit prachtige debuut is alvast een hele mooie start, die de platen van Keane in alle opzichten doet verbleken. Erwin Zijleman