donderdag 31 oktober 2013

Lily & Madeleine - Lily & Madeleine

Ik kijk al een tijdje uit naar het debuut van de Amerikaanse zusjes Lily en Madeleine (Jurkiewicz). Na een paar veelbelovende voorproefjes, waaronder een EP en een aantal akoestische video’s, ligt een paar maanden na het eerste levensteken al het debuut van Lily & Madeleine in de winkel en het is een debuut dat mijn hooggespannen verwachtingen met gemak heeft overtroffen. Lily en Madeleine maken op hun debuut vooral uiterst ingetogen popliedjes. Het zijn popliedjes zonder al te veel tierelantijntjes die het moeten hebben van een mooie en sfeervolle instrumentatie (met afwisselend een hoofdrol voor gitaar en piano) en vooral de prachtige stemmen van de zusjes uit Indianapolis, Indiana. Lily & Madeleine zijn pas 16 en 18, maar zijn hun meeste leeftijdsgenoten vele jaren voor, zowel in vocaal als in muzikaal opzicht. Het debuut van de zusjes laat opvallend tijdloze popmuziek horen. Het is popmuziek die in veel gevallen terug gaat naar de folkmuziek uit de jaren 60 en 70, waarmee de zusjes Jurkiewicz op het Asthmatic Kitty Records label, waarop de plaat is verschenen, een wat vreemde eend in de bijt zijn, al zijn ook Lily & Madeleine niet vies van stokoude Appalachen folk. Lily & Madeleine hebben een voorkeur voor folky popliedjes met een laag tempo en een veelzijdige klankentapijt. De instrumentatie op de plaat is behoorlijk ingetogen, maar zeker niet sober of kil. De mooie warme klanken passen erg goed bij de geweldige stemmen van Lily & Madeleine. Het zijn stemmen die op zichzelf al heel mooi zijn, maar wanneer de stemmen van Lily & Madeleine samenvloeien gebeurt er iets bijzonders. Iets heel bijzonders. De prachtige wijze waarop de stemmen van Lily & Madeleine elkaar versterken doet wel wat denken aan The Webb Sisters (de afgelopen jaren vooral bij Leonard Cohen op het podium te vinden, maar de nieuwe plaat komt echt) en First Aid Kit (ook zusjes). Net als The Webb Sisters en First Aid Kit doen Lily & Madeleine hun uiterste best om hemeltergend mooie vocalen op de band te slingeren, maar de zusjes slagen er ook nog eens in om heel veel gevoel in deze vocalen te leggen. Omdat het tempo laag blijft en de instrumentatie ingetogen en stemmig, was ik bang dat het debuut van Lily & Madeleine na een aantal tracks of anders na een aantal luisterbeurten zou gaan vervelen, maar dat is tot dusver zeker niet het geval. Eigenlijk worden de sfeervolle popliedjes van de Amerikaanse zusjes alleen maar mooier, vooral omdat de stemmen steeds fraaier bij elkaar lijken te kleuren en de subtiel verstopte spanning maar langzaam aan de oppervlakte komt. Het debuut van Lily & Madeleine is door het lage tempo, de donkere klanken en de vaak wat melancholische teksten een plaat die uitstekend past bij de komende seizoenen, maar het debuut van Lily & Madeleine is meer dan een plaat voor de donkere dagen (de wat vrolijkere songs zijn een eerste stap in de richting van de lente). De piepjonge zusjes Jurkiewicz laten meteen op hun debuut horen dat ze mee kunnen met de smaakmakers in het genre, maar gezien de leeftijd van de zusjes kunnen we nog veel meer verwachten. Dat belooft wat voor de toekomst, maar voorlopig ben ik zeer, zeer, tevreden met dit uitstekende debuut. Erwin Zijleman



woensdag 30 oktober 2013

Joanna Gruesome - Weird Sister

Ik heb een enorm zwak voor bandjes als Joanna Gruesome. Op haar debuut Weird Sister serveert de band uit Cardiff, Wales, tien heerlijk stekelige popliedjes in iets minder dan een half uur. Het zijn noisy, punky popliedjes met een zoete en lekker dromerige ondertoon. Joanna Gruesome (inderdaad, een steek naar zweverige folkie Joanna Newsom) pakt uit met stevig gitaarwerk en combineert dit met punky ritmes en heerlijk zoete vrouwenvocalen. De popliedjes van Joanna Gruesome zijn relatief eenvoudig en sluiten aan op heel veel muziek die al gemaakt is, maar probeer Weird Sister maar eens te weerstaan. Mij lukt het in ieder geval niet. Bij beluistering van Weird Sister moest ik afwisselend denken aan Lush, Sleater Kinney, Veronica Falls, The Dum Dum Girls, Slumber Party en nog wat bands die me in het verleden al wisten te verleiden met platen als het debuut van Joanna Gruesome, maar Weird Sister klinkt ook als The Ramones met een stel zangeressen. Of als “a hint of Lush and a ton of rush”, de mooiste omschrijving die ik op het Internet van de plaat tegen kwam. Het debuut van Joanna Gruesome komt met het gewicht van een stoomwals en de snelheid van de Thalys over je heen, maar desondanks is het een plaat die niet alleen makkelijk verleidt, maar ook interessante dingen laat horen. Vergeleken met de meeste van haar soortgenoten verrijkt Joanna Newsom haar zoete popliedjes met flink wat geweldig ontsporend gitaargeweld en slaagt het er bovendien in om alle songs op de plaat weer net iets anders te laten klinken, waardoor de namenlijst die zich opdringt bij beluistering van de plaat alleen maar groeit. Weird Sister is het ene moment zwoel en lieflijk, maar het volgende moment rauw en gemeen, wat het debuut van Joanna Gruesome een ongelooflijke hoeveelheid dynamiek geeft. Ondanks het gitaargeweld en de vele verassende wendingen in de muziek van de band uit Wales, staan de melodieën op Weird Sister centraal en deze zijn zonder uitzondering prachtig. Die melodieën hoor je ook terug in het gitaarwerk dat in een aantal gevallen zoals gezegd buitengewoon rauw is, maar ook onweerstaanbaar mooie gitaarloopjes laat horen (die ook weer aan Lush doen denken). Iedereen die het werk van de bovengenoemde bands niet kan waarderen zal ook niet vallen voor de charmes van Joanna Gruesome, maar een ieder die net als ik verslaafd is aan deze zoet-gruizige mix krijgt met Joanna Gruesome goud in handen. Weird Sister raast als een herfststorm over je heen, maar dit is een storm met zowel windvlagen als zonnestralen. Weird Sister van Joanna Gruesome heeft in Nederland tot dusver nauwelijks aandacht gekregen, maar het is echt een geweldige plaat die veel meer verdient. Een half uur lang word je heel erg vrolijk van Joanna Gruesome en daarna zet je Weird Sister gewoon nog eens op. En nog eens. Vervelen doet het vooralsnog niet. Integendeel. Erwin Zijleman



dinsdag 29 oktober 2013

The Arcade Fire - Reflektor

Met Funeral leverde The Arcade Fire negen jaar geleden een debuut af dat onvoorwaardelijke liefde afdwong, maar sindsdien heeft de band uit het Canadese Montreal het me niet altijd even makkelijk gemaakt. Zowel Neon Bible als The Suburbs stelden me in eerste instantie wat teleur, al is het kwartje na enige tijd toch wel gevallen, zonder overigens de impact van Funeral te benaderen. Ook het nieuwe album van de band maakte op mij niet direct de onuitwisbare indruk die Funeral negen jaar geleden wel maakte. Reflektor opent met een track die je mee terugneemt naar de dansvloer van de jaren 80. Dat kabbelt een tijdje voort tot het er aan het eind van de track opeens op lijkt dat David Bowie en Roxy Music samen zijn teruggekeerd naar hun betere dagen (de stem is overigens echt van Bowie). Dan zit je opeens toch weer op het puntje van je stoel, al blijft het moeilijk te geloven dat het dansbare deuntje echt van The Arcade Fire komt. Deze verbazing blijft bij de twaalf tracks die volgen. Reflektor duurt maar liefst 75 minuten en is verspreid over twee cd’s. Voor de productie deed de band een beroep op James Murphy, de man achter LCD Soundsystem. Aan de hand van Murphy neemt The Arcade Fire je mee langs een muzikale ontdekkingsreis die vooral door de jaren 80 en 90 voert en uiteindelijk een hele waslijst namen oplevert. Dat begint soms met namen die ik liever was vergeten (ik ga ze dan ook niet noemen), maar uiteindelijk kom ik ook terecht bij namen die mij weer op het spoor zetten van platen die ik snel weer eens uit de kast moet halen, als de eerste platen van Big Audio Dynamite (en de laatste van The Clash) en het boxje met alle cd’s van Talking Heads. Reflektor is een grootse en bij vlagen bombastische plaat vol invloeden. Bij de beoordeling van de plaat zal het er vooral om gaan of het overvolle geluid functioneel is of dat het holle bombast is. De critici neigen tot dusver in de richting van het laatste, maar dat is omdat ze de plaat niet vaak genoeg hebben beluisterd. Reflektor wordt immers alleen maar beter wanneer je de plaat vaker hoort, waarbij het er bij pakken van de koptelefoon een goede zet is. Bij herhaalde en intensieve beluistering vallen veel meer van de schakeltjes op hun plaats en blijkt Reflektor een complex bouwwerk dat loopt als een geoliede machine. Wat bij eerste beluistering nog vooral overbodige versiering lijkt, draagt, wanneer je eenmaal gewend bent aan de plaat, nadrukkelijk bij aan het geheel. Reflektor is nauwelijks te vergelijken met zijn voorgangers. Dat is aan de ene kant jammer, maar aan de andere kant is vernieuwing de belangrijkste kracht van The Arcade Fire en deze wordt op Reflektor weer intensief aangesproken. Over de productie van James Murphy zal nog wel even stevig worden gediscussieerd, maar ik vind het na enige gewenning prachtig klinken. Luister goed naar Reflektor en je hoort talloze lagen, die vaak lang weinig met elkaar te maken lijken te hebben, maar uiteindelijk toch altijd weer samen komen. Hoewel Reflektor uitnodigt om goed naar alle details te luisteren is het ook een plaat waarop je je mee kunt laten voeren. De ritmes op de plaat zijn buitengewoon fascinerend en variëren van opzwepend naar uiterst loom (en bijna dub). Het maakt van de beluistering van Reflektor een bijzondere ervaring die steeds aan kracht lijkt te winnen. Ik weet inmiddels wel dat ik een totaal andere recensie zou hebben geschreven wanneer ik Reflektor maar 1 of 2 keer zou hebben beluisterd. Luister een paar keer achter elkaar naar de individuele tracks en nog een paar keer naar het complete album en je hoort een totaal andere plaat. Bij eerste beluistering was ik zeer sceptisch, inmiddels durf ik wel te roepen dat Reflektor een van de belangrijkste platen van het jaar is en misschien zelfs wel van het decennium. The Arcade Fire heeft wederom lef getoond door het over een andere boeg te gooien. Het is een keuze die de gemoederen nog wel even bezig zal houden, maar uiteindelijk zal vrijwel iedereen toch moeten concluderen dat The Arcade Fire het weer heeft geflikt. Wederom op totaal onverwachte wijze, al zijn we dat inmiddels wel gewend van de Canadezen. Erwin Zijleman



maandag 28 oktober 2013

Michael Prins - Rivertown Fairytales

Het is mij vanwege lichte allergieën voor talentenjachten en Giel Beelen ontgaan, maar Michael Prins heeft eerder dit jaar de tweede editie van de beste singer-songwriter van Nederland gewonnen, door in de finale onder andere de in brede kring geprezen Maaike Ouboter te verslaan. Diezelfde Michael Prins debuteert nu met Rivertown Fairytales, dat meteen uit twee cd’s bestaat. Debuteren met een dubbelalbum lijkt overambitieus, maar Michael Prins heeft meer dan acht jaar gewerkt aan dit debuut en uiteindelijk zijn 21 beste songs geselecteerd. Ik begon zonder enige verwachtingen aan Rivertown Fairytales, maar Michael Prins had me eigenlijk direct in de openingstrack al te pakken. Rivertown Fairytales staat vol met ingetogen luisterliedjes die bijna dwingen tot luisteren. Michael Prins beschikt over een mooie warme stem met een doorleefd randje. Het is een stem die prachtig past bij de sobere, maar bijzonder mooie instrumentatie op de plaat. De akoestische gitaar en in mindere mate piano bepalen voor een belangrijk deel het geluid op het debuut van Michael Prins, maar door subtiel gebruik van andere instrumenten waaronder orgel en cello, is dit geluid veel voller dan je op basis van het bovengenoemde zou verwachten. Rivertown Fairytales is een mooie stemmige plaat die perfect past bij het huidige seizoen. Veel songs hebben een wat donkere ondertoon, maar het debuut van Michael Prins is zeker geen sombere plaat. Invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek (met name folk en blues en hiernaast een vleugje country en soul) zijn prominent aanwezig in de songs van Michael Prins, maar op een of andere manier klinkt Michael Prins anders dan zijn Amerikaanse collega’s. Toen ik begon aan de beluistering van 21 ingetogen songs ging ik er van uit dat de aandacht na een paar songs wel wat zou verslappen, maar het tegenstelde bleek het geval. Rivertown Fairytales is een plaat die je langzaam opslokt en alleen maar beter, mooier, indringender en indrukwekkender wordt. Michael Prins heeft een duidelijke voorkeur voor ingetogen luisterliedjes, maar hij zorgt er wel voor dat deze niet eenvormig klinken. Dit doet hij aan de ene kant door een steeds net wat andere instrumentatie te kiezen, maar ook de stem van Michael Prins beschikt over uiteenlopende kleuren, waardoor hij het ene moment klinkt als een doorleefde Amerikaanse troubadour en het volgende moment Jeff Buckley naar de kroon steekt. Wat Rivertown Fairytales uiteindelijk zo bijzonder maakt is dat Michael Prins er in slaagt om invloeden van de klassieke singer-songwriters uit het verleden te combineren met die van de wat eigenzinnigere muzikanten uit het huidige rootssegment. Wat Rivertown Fairytales uiteindelijk zo mooi en indringend maakt is het vermogen om songs te schrijven en te vertolken die de  luisteraar diep ontroeren. Michael Prins slaagt hier 21 keer in. De beste van Nederland is hij volgens de tv-kijkers al, maar de rest van de wereld lonkt. Prachtplaat. Erwin Zijleman



zondag 27 oktober 2013

Lorde - Pure Heroine

Het verhaal van de Nieuw-Zeelandse Ella Yelich-O'Connor laat zich lezen als een sprookje. Een jaar geleden was ze nog een heel gewoon meisje van 15, maar door een buitengewoon succesvol YouTube filmpje werd ze in no-time een wereldster. Ella Yelich-O'Connor is inmiddels beter bekend als Lorde en levert met Pure Heroine een plaat af die zo stevig wordt gepromoot dat de echte muziekliefhebber er nauwelijks aan durft te beginnen. Ik ben blij dat ik er wel aan ben begonnen, want Pure Heroine is een fascinerende plaat die heel veel heeft te bieden. Het debuut van Lorde is absoluut een plaat met een dubbele bodem. Luister oppervlakkig en je hoort aanstekelijke popliedjes die klinken of de mensen achter bijvoorbeeld Rihanna achter de knoppen hebben gezeten. Het geluid van Lorde wordt gedomineerd door lekker in het gehoor liggende elektronica, bevat flink wat invloeden uit de elektropop en de R&B en dit alles is ook nog eens gegoten in onweerstaanbare popliedjes die je na één keer horen niet meer kunt vergeten. Tot zover niets bijzonders, maar net als bijvoorbeeld Haim en als je het mij vraagt ook Birdy en Lana Del Rey, maakt Lorde muziek die pas echt interessant is wanneer je verder kijkt (en luistert) dan het laagje chroom dat er om heen zit. De muziek van Lorde blijkt dan veel eigenzinniger dan je op het eerste gehoor zult vermoeden. Dat uit zich in de instrumentatie die buitengewoon lekker klinkt, maar ook intrigeert door opvallende en vaak lome ritmes en een voor dit genre ongekend donker elektronisch klankentapijt. Het uit zich ook in de bijzondere stem van Lorde, die net als Birdy opvallend volwassen en emotievol klinkt en niet bang is om kwetsbaarheid te tonen. Het uit zich tenslotte in de songs die alle kanten op schieten en variëren van songs die het goed zullen doen op de dansvloer tot songs waarbij je alleen maar wilt wegdromen. Het is makkelijk om Lorde weg te zetten als een bakvis die tijdelijk aan het succes mag ruiken en over een paar jaar al weer vergeten zal zijn, maar hiermee doe je jezelf tekort, en flink ook. Pure Heroine is een intrigerende plaat die zowel opgewekt als deprimerend en zowel toegankelijk als onvoorspelbaar is. In de ingetogen tracks doet het wel wat denken aan de platen van Birdy en Lana Del Rey, terwijl de uptempo tracks dichter bij Haim liggen, maar in alle gevallen heeft Lorde een avontuurlijk en volwassen geluid dat maar weinig muzikanten en nauwelijks muzikanten van haar leeftijd gegeven is. Omdat Pure Heroine in Nederland een paar weken later verschijnt dan in de rest van de wereld, heb ik de plaat een tijdje laten rijpen en ook dat blijkt in positieve zin bij te dragen aan de kwaliteit van het debuut van Lorde. Ik twijfel er al lang niet meer aan dat we nog veel moois van Lorde gaan horen, maar ook dit debuut is veel beter dan de gemiddelde muziekliefhebber op basis van zijn of haar vooroordelen zal vermoeden. Gooi deze dan ook zo snel mogelijk overboord en geniet van de aangename verrassing die luistert naar de naam Lorde. Erwin Zijleman



zaterdag 26 oktober 2013

Ed Askew - For The World

De naam Ed Askew zal bij de meeste muziekliefhebbers geen belletje doen rinkelen, maar in kleine kring is de Amerikaan inmiddels al een aantal decennia een cultfiguur. Ed Askew dankt zijn cultstatus aan het in 1968 verschenen Ask The Unicorn, lange tijd de enige plaat die hij uitbracht, en aan zijn schilderwerk (waarop hij zich na de release van zijn debuut heeft geconcentreerd). Ask The Unicorn is in de betere geschiedenisboeken over de popmuziek uit de jaren 60 opgenomen als een psychedelisch en folky hoogstandje, waarop Askew zich begeleid op een uniek instrument dat de beste eigenschappen van de luit en de ukelele combineert (voor de liefhebber: het betreft de tiple, een instrument dat met name in Colombia erg populair schijnt te zijn). Ik heb de plaat inmiddels beluisterd en het is inderdaad een bijzondere plaat, maar persoonlijk word ik veel dieper geraakt door het eerder dit jaar verschenen For The World. Ed Askew maakt de afgelopen tien jaar weer met enige regelmaat muziek, maar dit leverde tot dusver nog geen meesterwerken op. For The World is dat wat mij betreft wel. Direct bij beluistering van de openingstrack was ik diep onder de indruk van de nieuwe plaat van Ed Askew. Opener Radio Rose begint met een opvallend piano intro, waar na verloop van tijd een mondharmonica bij komt. Je voelt eigenlijk direct dat er iets bijzonders gaat gebeuren en dat gebeurt wanneer Ed Askew begint te zingen. Een bijzondere stem, een bijzondere instrumentatie en een song die je snoeihard bij de strot grijpt. Radio Rose is voor mij ook meteen het hoogtepunt van For The World, maar de rest van de plaat is nauwelijks minder. Bijgestaan door onder andere de briljante gitarist Marc Ribot en singer-songwriter Sharon van Etten, laat Ed Askew horen dat zijn inmiddels 45 jaar oude klassieker geen toevalstreffer was. For The World vertrouwt minder op het bijzondere snareninstrument dat Ed Askew een aantal decennia geleden op de kaart zette en geeft de hoofdrol aan de piano. Ook deze klinkt echter niet als de gemiddelde piano en laat een bijzonder ruimtelijk geluid horen. Het geeft de muziek van Ed Askew een heel bijzonder geluid, waarna zijn emotievolle en doorleefde stem het karwei afmaakt. Ed Askew is inmiddels de 70 ruim gepasseerd, maar maakt op For The World een buitengewoon geïnspireerde indruk. Hij schrijft songs die weten te ontroeren en slaagt er in om deze totaal anders te laten klinken dan we in het singer-songwriter genre gewend zijn. In eerste instantie overheersen verbazing en verwondering, maar ook wanneer je gewend bent aan de bijzondere muziek van Ed Askew blijft de impact van For The World buitengewoon groot. Ik heb dit jaar heel veel bijzondere singer-songwriter platen gehoord, maar er is er niet één die lijkt op deze fascinerende comeback van Ed Askew. For The World schreeuwt om erkenning van deze bijzondere muzikant en doet bovendien hopen op veel meer platen van Ed Askew. For The World is in de tussentijd een plaat om te koesteren en om uiteindelijk intens van te houden. Erwin Zijleman

For The World van Ed Askew ligt als het goed is gewoon in Nederland in de winkel. Als het toch niet lukt kan de plaat ook worden verkregen via de bandcamp pagina van het Britse label Tin Angel Records dat de release van de comeback van Ed Askew mogelijk maakte: http://tinangelrecords.bandcamp.com/album/for-the-world.



vrijdag 25 oktober 2013

Poliça - Shulamith

De uit Minneapolis afkomstige band Poliça maakte met Give You The Ghost een van de meest opvallende platen van 2013. De band rond zangeres Channy Leanagh en producer Ryan Olson verraste op haar debuut met muziek die ik op de valreep van 2013 omschreef als een mix van The Cocteau Twins, Portishead, The Xx en Grimes. Het debuut van Poliça bleek bij vlagen behoorlijk experimenteel, maar drong zich desondanks steeds nadrukkelijker op. Give You The Ghost werd bejubeld door de critici, maar de meeste muziekliefhebbers lieten de plaat helaas in de kou staan. Verrassend snel na Give You The Ghost keert Poliça terug met een nieuwe plaat, Shulamith. De onsmakelijke hoes strijkt meteen flink tegen de haren in, maar in muzikaal opzicht laat de band juist een net wat toegankelijker geluid horen. Op Shulamith, de titel verwijst naar de vorig jaar overleden feministe/activiste Shulamith Firestone, springt Poliça wat minder vaak van de hak op de tak en grijpt het bovendien veel minder vaak naar de auto-tune voor het kleuren van de vocalen. Het laatste vind ik een wijs besluit. De zang op Give You The Ghost gaf Poliça weliswaar een geheel eigen geluid, maar deed de vocale capaciteiten van Channy Leanagh geen recht. Ook het wat minder vaak van de hak op de tak springen kan geen kwaad, zolang er maar genoeg avontuur in de muziek van Poliça overblijft en dat is zeker het geval. Ook Shulamith strooit weer driftig met de door twee drummers voortgebrachte ritmes en blijkt, zeker bij herhaalde beluistering, vol verrassingen te zitten. De plaat opent met een wel erg zonnig elektropopdeuntje, maar laat je hierdoor niet op het verkeerde been zetten. In de tracks die volgen keren de donkere, dromerige en bezwerende klanken die we kennen van Give You The Ghost gelukkig weer terug. The Cocteau Twins zijn, vooral door het minder breed inzetten van de auto-tune, als vergelijkingsmateriaal een flink stuk minder belangrijk geworden, maar Portishead (de meeslepende triphop invloeden), The XX (de dromerige productie en de ritmes uit de dub) en Grimes (het donkere en bij vlagen zwaar aangezette elektronische geluid) zijn nog steeds zeer relevant vergelijkingsmateriaal. Nieuw zijn de wat prominenter aanwezige flirts met R&B, synthpop en dance, maar een plaat voor de dansvloer, zoals Shulamith hier en daar wordt aangeprezen, durf ik het toch echt niet te noemen. Shulamith is zoals gezegd net wat toegankelijker dan zijn voorganger, maar ook de tweede plaat van Poliça valt op door vele lagen, talloze verrassende wendingen en songs die steeds meer moois laten horen en uiteindelijk bijzonder verslavend zijn. Shulamith is duidelijk homogener dan zijn voorganger, maar dit geeft de plaat op een of andere manier ook extra kracht. Poliça was verantwoordelijk voor één van de betere platen van 2012 en herhaalt dit huzarenstukje een jaar later. Laten we hopen dat het net wat toegankelijkere geluid de twijfelaars van vorig jaar over de streep trekt, want deze band verdient het om groot te worden. Heel groot. Erwin Zijleman



donderdag 24 oktober 2013

Jason Isbell - Southeastern

In deze recensie ga ik het eens niet hebben over de fantastische band waarvan Jason Isbell in het verleden deel uit maakte.  Allereerst omdat het inmiddels al zes jaar geleden is dat Jason Isbell deze band verliet en hiernaast omdat het solowerk van Jason Isbell zo goed en vooral ook zo anders is, dat het noemen van de naam van zijn oude band nauwelijks relevant is. Jason Isbell liet zich in de eerste jaren van zijn solocarrière bijstaan door zijn band 400 Unit, maar op Southeastern prijkt voor de afwisseling alleen de naam van Isbell zelf op de cover.  Southeastern is (mede hierdoor) de meest ingetogen plaat die Jason Isbell tot dusver heeft gemaakt en het is als je het mij vraagt ook zijn beste. Direct op zijn eerste soloplaat verruilde Jason Isbell de southern rock waarmee hij in het verleden furore maakte al voor een meer singer-songwriter georiënteerd geluid en deze lijn wordt verder doorgetrokken op Southeastern, waarop slechts spaarzaam wordt gerockt en tracks met vooral invloeden uit de folk en country overheersen. Net als op zijn vorige platen vertelt Jason Isbell ook op Southeastern weer mooie en indringende verhalen. Isbell is de 35 nog niet gepasseerd, maar is inmiddels flink wat pieken en dalen tegengekomen in zijn leven, waarbij zijn haat/liefde verhouding met de alcohol een belangrijke rol heeft gespeeld. Isbell weet de dalen uit zijn leven prachtig te verwoorden, maar hij verpakt deze woorden ook nog eens in geweldige songs. In deze songs wordt heel af en toe nog wat steviger uitgepakt (waarbij Isbell refereert aan zowel Springsteen als Neil Young & The Crazy Horse), maar in de meeste tracks overheersen ingetogen klanken. Isbell lijkt zijn gevecht met de fles voorlopig gewonnen te hebben en laat op Southeastern horen wat hij echt kan. Southeastern doet qua intensiteit, maar ook qua muziek wel wat denken aan Heartbreaker van Ryan Adams, ook een muzikant die lang werd geassocieerd met zijn vorige band, maar zich hier uiteindelijk compleet aan ontworstelde. Op Southeastern snijdt ook Jason Isbell de band met het verleden definitief door en manifesteert hij zich nadrukkelijk als een van de betere songwriters in het rootssegment. Invloeden uit het diepe zuiden van de VS (Isbell werd geboren in Alabama) zijn niet helemaal verdwenen uit het geluid van Jason Isbell (hier en daar duikt nog wel wat zuidelijke blues op), maar zijn met name in de akoestische tracks wel flink naar de achtergrond gedrongen. Op Southeastern domineren de bijzonder fraaie stem van Jason Isbell en zijn geweldige gitaarwerk, al mogen ook het prachtige vioolspel van Amanda Shires en de bijzonder mooie vrouwenstemmen (waaronder die van Kim Richey en wederom vrouwlief Amanda Shires) niet onvermeld blijven.  Het resultaat is een kwetsbare en hartverscheurend mooie plaat. Southeastern is uiteindelijk niet alleen de beste soloplaat van Jason Isbell tot dusver, maar ook een plaat die in het genre dit jaar maar heel weinig platen voor zich zal dulden. Jaarlijstjesmateriaal dus. Erwin Zijleman



woensdag 23 oktober 2013

The T.S. Eliot Appreciation Society - A New History

Folk was in de Nederlandse popmuziek altijd een wat ondergeschoven kindje, maar het afgelopen jaar schieten de interessante folkplaten van eigen bodem als paddenstoelen uit de grond. Een van de meest interessante van het stel is A New History van The T.S. Eliot Appreciation Society. Het is een wat pretentieuze naam die bij mij in eerste instantie een lichte weerstand opriep, maar de muziek achter de naam maakt gelukkig veel goed. The T.S. Eliot Appreciation Society is het alter ego van de uit Utrecht afkomstige singer-songwriter Tom Gerritsen. Tijdens zijn studie literatuurwetenschappen maakte hij kennis met het werk van de als Amerikaan geboren maar uiteindelijk tot Brit genaturaliseerde schrijver/dichter T.S. Eliot, tijdens een twee jaar durende reis door de Verenigde Staten ontdekte hij zijn liefde voor de folk. A New History, het debuut van The T.S. Eliot Appreciation Society, is een opvallende plaat met muziek die nog lang aan kracht blijft winnen. Centraal op de plaat staan de akoestische gitaar en de stem van Tom Gerritsen. De akoestische gitaar klinkt warm en vol, de stem van Gerritsen wat onvast maar emotievol. De combinatie van beiden levert een bijzonder geluid op. Het is een nogal donker geluid waarin invloeden van Bob Dylan meer dan eens doorklinken, maar Tom Gerritsen doet veel meer dan het reproduceren van het werk van de oude meester en verwerkt zowel invloeden uit de Amerikaanse als de Britse folk  in zijn muziek. De op het eerste gehoor uiterste sobere songs van The T.S. Eliot Appreciation Society blijken in veel gevallen voorzien van uiterst subtiele versieringen of verrassende wendingen. De ene keer komt de verrassing van bijzonder fraaie blazers, de volgende keer van fraai repeterende gitaarloopjes. Heel even lijkt A New History van The T.S. Eliot Appreciation Society een behoorlijk traditionele folkplaat, maar zeker na enige gewenning is duidelijk dat Tom Gerritsen de grenzen van het genre op geheel eigen wijze oprekt. Ondanks het eenvoudige instrumentarium is A New History een fascinerende plaat vol dynamiek en onderhuidse spanning. Zeker in het begin moest ik erg wennen aan de stem van Tom Gerritsen, maar op een gegeven moment had de stem me te pakken en sindsdien dragen ook de vocalen nadrukkelijk bij aan de schoonheid van de plaat. Net als het werk van T.S. Eliot is A New History van The T.S. Eliot Appreciation Society geen lichte kost, maar een ieder die de tijd neemt voor het doorgronden van deze bijzondere plaat wordt hiervoor rijkelijk beloond. A New History is een intieme, intense en betoverend mooie folkplaat van eigen bodem, die de internationale concurrentie met gemak aan kan. Verplichte kost voor de liefhebber van donkere en intieme folk en het zoveelste bewijs voor de stelling dat de Nederlandse popmuziek momenteel volop bloeit. Erwin Zijleman



dinsdag 22 oktober 2013

EF - Ceremonies

EF is een Zweedse band die opereert in het hokje postrock. Het is een hokje waarvoor ik altijd wat op mijn hoede ben, waardoor Ceremonies net iets langer is blijven liggen dan de plaat eigenlijk verdient. Mijn weerstand tegen postrock is vooral gebaseerd op de platen in het genre die nauwelijks meer iets met popmuziek te maken hebben en waarop het klankentapijt en/of het effectbejag belangrijker zijn dan de songs. Ceremonies van EF is zeker niet zo’n plaat. De Zweedse band maakt op haar nieuwe plaat prachtige stemmige popmuziek en giet deze steeds weer in songs met een kop en een staart. EF blijft natuurlijk een postrock band en kiest daarom voor lang uitgesponnen songs die zich langzaam voortslepen en vol verassende wendingen of juist repeterende passages zitten. Bij EF staan de songs echter wel voorop, zodat ieder uitstapje functioneel lijkt. Deze uitstapjes zijn bovendien wonderschoon en laten afwisselend stemmige strijkers, melancholieke blazers, atmosferische synths, opvallende percussie, stevig en soms zelfs overstuurde gitaren en heerlijk dromerige zang horen. EF komt met haar muziek soms in de buurt van die van Sigur Ros, maar de Zweden zijn een stuk minder zweverig dan hun IJslandse collega’s. Ook de vergelijking met Godspeed You Black Emperor ligt een paar keer voor de hand, zeker wanneer EF kiest voor geluidsuitbarstingen, maar vergeleken met de Canadezen zijn de leden van EF heel wat minder wereldvreemd. Ceremonies van EF is een hele mooie plaat, maar het is ook een lastige plaat. Wanneer je met niet al teveel aandacht naar de plaat luistert, is de muziek van EF mooi, maar lijkt er niet al te veel spannends te gebeuren, buiten de incidentele uitbarstingen. Bij aandachtige beluistering en zeker bij beluistering met de koptelefoon hoor je pas wat een knappe plaat Ceremonies van EF is. Met name de meer ingetogen passages blijken dan niet alleen wonderschoon, maar blijken ook nog eens bijzonder knap in elkaar te steken, zo knap dat de muziek van EF meerdere malen onnavolgbaar is. Bij aandachtige beluistering blijkt Ceremonies ook een plaat die overloopt van dynamiek. EF kiest hierbij niet voor de botte tempowisselingen van veel soortgenoten in het genre, maar bouwt haar voor songs, die allemaal voor een belangrijk deel instrumentaal zijn, buitengewoon knap op. Het doet me af en toe wel wat denken aan de progrock platen die ik in een ver verleden als jeugdzonde koesterde, al is de muziek van EF veel functioneler en minder bombastisch.  Ik heb door mijn lichte allergie voor postrock zeker even moeten wennen aan Ceremonies van EF, maar inmiddels is het een plaat voor bijzondere momenten, waarop de muziek van EF op bijzonder fraaie en fascinerende wijze zorgt voor rust en ontspanning. Erwin Zijleman 



maandag 21 oktober 2013

Lissie - Back To Forever

Catching A Tiger, het debuut van de Amerikaanse Lissie (Maurus), was iets meer dan drie jaar geleden een bijzonder aangename verrassing. Op haar debuut verraste de Amerikaanse singer-songwriter met een lekker toegankelijk rootsgeluid dat bol stond van de invloeden en net zo makkelijk flirtte met country en folk als met hitgevoelige pop en rock. In Nederland deed Catching A Tiger helaas niet heel veel en ook in haar vaderland stond men niet in de rij voor de muziek van Lissie. Gelukkig wisten de Britten het debuut van Lissie wel op de juiste waarde te schatten, waardoor de tegenwoordig vanuit Los Angeles opererende singer-songwriter voor haar nieuwe plaat een beroep kon doen op de onder andere van Snow Patrol, U2, R.E.M. en Robbie Williams bekende Ierse topproducer Jacknife Lee. Nu staat Jacknife Lee bekend om zijn grootse en vaak stevig door popmuziek uit de jaren 70 en 80 beïnvloede geluid, wat doet vrezen voor de rootsinvloeden op de tweede plaat van Lissie. Na beluistering van Back To Forever kan ik alleen maar concluderen dat deze vrees niet ongegrond was. Met Back To Forever neemt Lissie voor een belangrijk deel afscheid van het hokje Amerikaanse rootsmuziek en kiest ze nadrukkelijk voor het hokje waarin de toegankelijke pop en rock normaal gesproken wordt ondergebracht. Is dat erg? Nee, wat mij betreft niet. Lissie liet zich op haar debuut ook al niet in een hokje duwen en koos op dit debuut ook al meer dan eens voor een geluid dat meer pop en rock dan roots was. Het is een geluid dat goed past bij de mooie en toegankelijke stem van Lissie en het is bovendien een geluid dat op Back To Forever bijzonder lekker klinkt. De tweede plaat van Lissie doet hier en daar wel wat denken aan de onlangs verschenen plaat van Haim, al heeft Lissie niet zoveel met R&B als de zusjes Haim (wat ik persoonlijk niet zo erg vind). Rootspuristen zullen waarschijnlijk gruwelen van de weg die Lissie op Back To Forever in is geslagen, maar voor deze rootspuristen is er genoeg ander moois. Voor liefhebbers van radiovriendelijke pop en rock valt er op Back To Forever juist veel te genieten. Lissie pakt op haar nieuwe plaat groots uit met bijzonder aanstekelijke songs in een zwaar aangezette instrumentatie en productie met galmende gitaren, breed uitwaaiende synths en rake klappen op de drums. In een aantal songs klinkt de muziek van Lissie als die van The Pretenders, zeker geen vergelijking om je voor te schamen. Producer Jacknife Lee pakt op Back To Forever flink uit, maar hij slaagt er ook in om Lissie geweldig te laten zingen, waardoor de plaat in vocaal opzicht nog meer overtuigt dan zijn voorganger; iets wat je overigens vooral goed hoort in de "stripped down" bonustracks aan het eind van de plaat. Over Back To Forever van Lissie zal waarschijnlijk nog heel wat gediscussieerd worden, maar mij bevalt de plaat zo goed dat ik het best een krent uit de pop durf te noemen. Dat doe ik bij deze. Erwin Zijleman


zondag 20 oktober 2013

Nikki Sudden - The Boy From Nowhere, Who Fell Out Of The Sky

Hoe vaak overkomt het me dat ik word verrast door een vergeten muzikant uit het verleden, die me vervolgens zes cd’s lang op het puntje van de stoel houdt en me diep weet te ontroeren met het ene wonderschone popliedje na het andere. Niet heel vaak, of zeg maar gerust bijna nooit. Door een mooie recensie in het prachtige muziektijdschrift Heaven (aanrader), werd ik op het spoor gezet van Nikki Sudden (echte naam: Adrian Nicholas Godfrey) en de eerder dit jaar verschenen box-set The Boy From Nowhere, Who Fell Out Of The Sky. Voor minder dan een tientje per cd krijg je een prachtige introductie tot een voor velen onbekende of alleen van naam bekende muzikant. Eerst maar even de historie. Nikki Sudden duikt aan het eind van de jaren 70 op in de band Swell Maps; een cultband die invloeden uit de postpunk, Krautrock en noiserock aan elkaar weet te smeden tot niet erg succesvolle maar wel door de critici bejubelde muziek. Na het uit elkaar vallen van Swell Maps (waarin overigens ook zijn broer Epic Soundtracks speelde) begon Nikki Sudden aan een eveneens weinig succesvolle solocarrière, die hij tijdelijk verruilde voor de wederom met zijn broer gevormde band The Jacobites. Wanneer Nikki Sudden in 2006 op slechts 49-jarige leeftijd overlijdt (zijn broer zou overigens slechts 47 jaar oud worden) heeft hij een flinke stapel soloplaten op zijn naam staan, waaraan na zijn dood nog een aantal postuum wordt toegevoegd. Het is een prachtig en fascinerend oeuvre dat absoluut ontdekking verdient. Dat kan prachtig via het uit maar liefst zes cd’s bestaande The Boy From Nowhere, Who Fell Out Of The Sky. In bijna zeven en een half (!!) uur muziek krijg je een prachtige introductie tot de muziek van Swell Maps, The Jacobites en vooral het solowerk van Nikki Sudden en weet je vrijwel direct dat het rijtje Nikki Sudden in de platenkast de komende tijd nog wel wat verder uit zal dijen (het prachtige The Bible Belt uit 1983 heb ik inmiddels toegevoegd). The Boy From Nowhere, Who Fell Out Of The Sky schiet meerdere kanten op. Van de eclectische muziek van Swell Maps tot bezwerende akoestische folky luisterliedjes en van Rolling Stones achtige rock tot lang uitgesponnen psychedelische tracks vol geweldig gitaarwerk dat herinnert aan Neil Young en een op stoom zijnde Crazy Horse; het zijn slechts een paar van de uitersten binnen het rijke oeuvre van Nikki Sudden. Bij beluistering van de muziek van Nikki Sudden valt een complete platenkast vol invloeden om, maar in de meeste gevallen zal blijken dat Nikki Sudden een paar jaar eerder was dan het opduikende vergelijkingsmateriaal, waardoor de invloed van Nikki Sudden op de popmuziek van grote waarde moet worden geacht (zo is mij nu wel duidelijk waar Lloyd Cole en The Waterboys de mosterd hebben gehaald en hier blijft het zeker niet bij). De eerste twee cd’s in de box-set bevatten het "bekendere" werk van Nikki Sudden en laten horen dat hij een bijzonder getalenteerd songwriter was. Met name zijn solowerk is van een ongekend hoog niveau en is direct zwaar verslavend. Het zijn stuk voor stuk songs waarvoor menig legendarische band een moord zou hebben gedaan. Na de eerste twee cd’s duikt The Boy From Nowhere, Who Fell Out Of The Sky de diepte in en komen we uit bij wat obscuurder werk en live-materiaal, maar het hoge niveau blijft. The Boy From Nowhere, Who Fell Out Of The Sky is zes cd’s lang genieten en hoe vaker je de muziek van Nikki Sudden hoort hoe mooier het wordt. Ik schaam me natuurlijk dood dat ik de muziek van de Brit, die een groot deel van zijn carriere in de VS vorm gaf, niet eerder heb gehoord, maar waarschijnlijk kan ik de muziek van Nikki Sudden nu beter op de juiste waarde schatten dan 30 jaar geleden (ik weet het eigenlijk wel zeker). Iedereen die na het lezen van deze recensie nieuwsgierig is geworden naar de muziek van Nikki Sudden kan ik alleen maar aansporen om haast te maken met de aanschaf van deze prachtige box-set; de oplage schijnt beperkt te zijn. Erwin Zijleman







zaterdag 19 oktober 2013

Hank Woji - Holy Ghost Town


Het minder bekende talent in het rootssegment komt deze week uit Terlingua, Texas; een desolaat oord niet al te ver van de Mexciaanse grens. Holy Ghost Town van Hank Woji werd onlangs in een aan mij gerichte mail als volgt aangeprezen: “Sounds like Woody & Arlo Guthrie, acoustic Bruce Springsteen, Pete Seeger, early Bob Dylan, Townes Van Zandt, Butch Hancock, Steve Earle, Guy Clarke, John Prine, Steve Forbert, early Eric Andersen, Lyle Lovett & Cat Stevens”. Dat is natuurlijk een prachtig lijstje met flink wat persoonlijke favorieten, maar het is ook een lijstje dat er voor zorgt dat een cd van een voor mij volstrekt onbekende muzikant uit Texas eigenlijk alleen maar tegen kan vallen. Dat Holy Ghost Town zeker niet tegenvalt zegt veel over de hoge kwaliteit van de plaat. Holy Ghost Town van Hank Woji is een opvallend veelzijdige plaat. De openingstrack had niet misstaan op Springsteen’s Nebraska (en dat alleen rechtvaardigt al de beluistering van deze cd), maar in de tracks die volgen gaat de Texaan ook aan de haal met folk, country, blues en rock. Waar Woji in het verleden meestal in zijn uppie opereerde, krijgt hij op Holy Ghost Town gezelschap van flink wat muzikanten uit de muziekscene van Austin, Texas. Het levert een mooi vol geluid op, waarin naast gitaren, dobro en mandoline, vooral het prominent aanwezige en werkelijk prachtige vioolspel en de fraaie vrouwelijke achtergrondvocalen opvallen (beiden doen denken aan de prachtige band van Leonard Cohen). Woji speelt zelf zeer verdienstelijk gitaar en beschikt over een veelkleurig en prachtig doorleefd stemgeluid. Het is een stemgeluid dat perfect past bij de mooie verhalen die Hank Woji vertelt. Woji vertelt deze verhalen met zoveel passie en overtuigingskracht dat je ieder woord gelooft. Als Woji zingt dat hij Jezus pas nog zag lopen in de regen (The Last Time I Saw Jesus) zie je het direct voor je en dat is ook bij alle andere onderwerpen die Hank Woji op zijn vierde plaat aansnijdt het geval. Holy Ghost Town duurt uiteindelijk maar net een half uur, maar het is een half uur muziek van grote schoonheid. Holy Ghost Town van Hank Woji is vaak indringend en emotioneel, maar Hank Woji draait ook zijn hand niet om voor een lichtvoetige wals of een portie blues die de pannen van het dak speelt. Het is deze veelzijdigheid en veelkleurigheid die Holy Ghost Town nog net wat meer glans geeft. Of Hank Woji zich met deze plaat onder de smaakmakers in het genre schaart valt door de enorme concurrentie nog te bezien, maar Holy Ghost Town is er zeker goed genoeg voor. Zeer warm aanbevolen derhalve. Erwin Zijleman 

Holy Ghost Town van Hank Woji ligt nog niet in Nederland in de winkel, maar is gelukkig wel verkrijgbaar via redder in nood cdbaby: http://www.cdbaby.com/cd/hankwoji3

vrijdag 18 oktober 2013

Elsa Kopf - Marvelously Dangerous

Ik hou er meestal niet zo van als Franse zangeressen in het Engels gaan zingen, maar Sugar Roses, de openingstrack van Marvelously Dangerous van de Française Elsa Kopf is prachtig.  Na dit heerlijke psychedelische popliedje speelt Elsa Kopf voor mij al een gewonnen wedstrijd, maar Marvelously Dangerous wordt vervolgens alleen maar beter en indrukwekkender. Liefhebbers van Franse zuchtmeisjes zullen smullen van het fluisterzachte Des Infants Insolents dat volgt en goed laat horen hoe mooi de stem van Elsa Kopf is. Na de Engelstalige openingstrack weten we al dat Elsa Kopf geen dertien in een dozijn zuchtmeisje is en dat onderstreept ze in de tracks die volgen. De voornamelijk Engelstalige tracks laten meerdere stijlen horen, die als gemene deler hebben dat je het van de muziek van Elsa Kopf heerlijk warm krijgt. Zowel in muzikaal als in vocaal opzicht is Marvelously Dangerous een lekker afwisselende plaat. Elsa Kopf heeft een voorkeur voor zwoele klanken, maar kan deze zowel kwijt in lichtvoetige pop of Franse pop als in muziek die raakt aan de Portugese fado, psychedelische muziek die heel af en toe tegen die van Mazzy Star aanschurkt of licht complexe jazzy klanken, om de uitersten op de plaat eens te noemen. Wanneer we Elsa Kopf vergelijken met de gemiddelde Franse zangeres die je tegen komt in de goed gesorteerde Franse supermarché, moet je concluderen dat Marvelously Dangerous niet alleen veelzijdiger is maar ook sprankelender en avontuurlijker. Marvelously Dangerous is een heerlijk eigenwijze popplaat met een Frans tintje. Dit Franse tintje geeft de plaat iets zwoels en onweerstaanbaars, maar het is maar een van de vele verleidingen van Marvelously Dangerous. Eigenlijk klinkt iedere track op de plaat anders en dat geldt zowel voor de instrumentatie, die varieert van sober en akoestisch tot rijk georkestreerd en elektronisch, als voor de vocalen, die altijd zwoel zijn, maar veelkleuriger dan die van de gemiddelde zangeres. Elsa Kopf kan uitstekend uit de voeten in lichtvoetige popliedjes die de zon laten schijnen als in zwoele nachtclub jazz die het zonlicht nauwelijks kan verdragen. Het is knap hoe Elsa Kopf steeds net iets anders weet te klinken, het is misschien nog wel knapper hoe ze hier steeds de perfecte instrumentatie en steeds weer andere invloeden bij weet te vinden. Marvelously Dangerous laat zich uiteindelijk nauwelijks in een hokje duwen en wordt eigenlijk alleen maar leuker en interessanter. Op het Internet is nog niet zo gek veel te vinden over deze plaat, maar na een uiterst positieve recensie in de Britse kwaliteitskrant The Guardian moet de rest volgen. Marvelously Dangerous is immers te lekker om te laten liggen. Veel te lekker. Net als de meeste andere releases op het mooie Franse Peppermoon label overigens. Erwin Zijleman



donderdag 17 oktober 2013

Bart van der Lee - Ballads For The Heathens Or Dying

Vooroordelen. Wat zijn ze toch vervelend. Wanneer ik een plaat van ene Bart van der Lee krijg toegestuurd, ga ik er, zonder eerst eens te luisteren, direct van uit dat het gaat om een plaat met Nederlandstalige luisterliedjes, waarschijnlijk nog met een vleugje kleinkunst ook. De plaat komt hierdoor terecht op een stapel die meestal niet zal leiden tot een plekje op mijn BLOG, maar zeer waarschijnlijk wel tot een roemloze doos ergens op zolder. Nu heeft Bart van der Lee één geluk: Ballads For The Heathens Or Dying (de titel had mijn vooroordelen toch aan de kant moeten schuiven) verschijnt op Snowstar Records en dat is een label dat inmiddels een aantal jaren garant staat voor hoge kwaliteit. Die kwaliteit hoor je ook op Ballads For The Heathens Or Dying van Bart van der Lee. Van der Lee deed mee aan de eerste editie van Giel Beelen’s De beste singer-songwriter van Nederland (waar ik door mijn aversie tegen talentenjachten niet naar heb gekeken) en zal daarom voor menig muziekliefhebber geen onbekende zijn. Op Ballad For The Heathens Or Dying is Bart van der Lee veel meer dan een rechttoe rechtaan singer-songwriter. Ballad For The Heathens Or Dying, overigens zijn tweede plaat, is een veelkleurige plaat die ook de wat rauwere uitbarstingen niet schuwt en steeds weer indruk maakt met een veelkleurig instrumentarium, waarin naast prachtige gitaren net zo makkelijk strijkers als blazers opduiken. De tweede plaat van Bart van der Lee is inmiddels vergeleken met de muziek van onder andere Nick Cave en Leonard Cohen. De tweede naam streep ik meteen weg, deels omdat ik het (buiten een deel van de instrumentatie en de achtergrondvocalen) niet hoor en deels omdat de vergelijking met de oude meester een kansloze vergelijking is. Nick Cave duikt wel zo nu en dan op, bijvoorbeeld vanwege de donkere ondertoon van de muziek van Bart van der Lee, maar met alleen de naam van Nick Cave ben je er nog lang niet. Zelf hoor ik vooral veel van de prachtige platen van met name Smog en Songs:Ohia; deels vanwege de aardedonkere ondertoon en deels vanwege de grote dynamiek en pure emotie. Bart van der Lee heeft op zijn tweede plaat zowel in muzikaal als tekstueel opzicht veel te melden. In zijn teksten verwerkt hij zijn verleden als zoon van missionarissen (die bij Snowstar Records kennelijk warm worden onthaald), in muzikaal opzicht verrast hij met songs die geen concessies doen en imponeren door de prachtige instrumentatie en de vele stemmingswisselingen. Ballads For The Heathens Or Dying is een ongelooflijk knappe plaat met internationale allure. Zeer warm aanbevolen voor de liefhebbers van de eerder genoemde bands Smog en Songs:Ohia, maar ook een ieder die Nick Cave wat te eenzijdig vindt of wil weten hoe een plaat van Pearl Jam met de band van Leonard Cohen klinkt, is bij Ballads For The Heathens Or Dying aan het juiste adres. Wederom een voltreffer van Snowstar Records en de winter moet nog komen. Erwin Zijleman

De tweede plaat van Bart van der Lee staat vreemd genoeg nog niet in het systeem van mijn favoriete platenzaak, maar het prachtig verpakte Ballads For The Heathens Or Dying kan uiteraard wel worden besteld via de website van Snowstar Records: http://www.snowstar.nl/store/cds/ballads-for-the-heathens-or-dying/

woensdag 16 oktober 2013

Jessica Pratt - Jessica Pratt

Wat heb je nodig voor het maken van een plaat die na een paar keer horen onmisbaar is? Soms heel veel, maar soms ook opvallend weinig. Neem nu het titelloze debuut van de Amerikaanse singer-songwriter Jessica Pratt uit San Francisco. Op de cover een eenvoudige zwart-wit foto, op de cd akoestische gitaar en zang, meer niet. Jessica Pratt maakt muziek zoals die in de jaren 60 en 70 werd gemaakt door onder andere Karen Dalton, Joni Mitchell, Vashti Bunyan en Linda Perhacs; allemaal zangeressen met een stem die niet door iedereen als mooi zal worden getypeerd en bovendien allemaal singer-songwriters die net wat verder gingen dan het maken van aangename luisterliedjes. Het debuut van Jessica Pratt past prachtig in het bovengenoemde rijtje. Ze beschikt over een mooie en warme stem, maar haar stem heeft ook meerdere onvaste randjes, waar niet iedereen tegen zal kunnen, maar die ook door heel wat liefhebbers als prachtig zullen worden ervaren, zeker omdat het een stem vol emotie en gevoel is. Ook de songs van Jessica Pratt vragen net wat meer van de luisteraar. Ondanks de eenvoud van de instrumentatie maakt Jessica Pratt muziek die je meer dan eens op het verkeerde been zet. Dat betekent overigens niet dat het titelloze debuut van Jessica Pratt een moeilijke plaat is. Voor liefhebbers van sobere en intieme folk is het debuut van Jessica Pratt een plaat die zich als een warme deken om je heen slaat, zeker wanneer de regen met bakken naar beneden komt, wat tijdens het schrijven van deze recensie het geval is. Het is ook een plaat die goed laat horen wat de kracht van eenvoud is. Het bij vlagen fluisterzachte akoestische gitaarspel heeft in combinatie met de eveneens zachte stem van Jessica Pratt een bijna hypnotiserende werking. Eenmaal bedwelmd door de intieme klanken van Jessica Pratt, neemt het debuut van Jessica Pratt je mee terug naar het verleden, maar hoor je ook dat sobere, intieme en akoestische folk volstrekt tijdloos is. De kracht van het debuut van Jessica Pratt schuilt niet alleen in de eenvoud en emotie, maar ook zeker in de imperfectie. Ze raakt op haar akoestische gitaar wel eens een verkeerde snaar en mist vocaal ook wel eens een noot. De meeste producers zouden er een nieuwe opname aan wagen en zouden bovendien de verleiding om de sobere muziek van Jessica Pratt in te kleuren met wat extra strijkers of zelfs elektronica niet kunnen weerstaan. Ik ben blij dat Jessica Pratt voor haar debuut niet zo’n producer heeft gekozen In een tijd waarin overvolle producties domineren, maakt Jessica Pratt eenvoudige en sobere muziek, maar wel eenvoudige en sobere muziek vol zeggingskracht. Het levert een plaat op die waarschijnlijk niet in brede kring potten zal breken, maar liefhebbers van sobere folk hebben er een plaat om te koesteren bij. Ik zet hem nog maar eens op en het is weer prachtig, misschien nog wel net iets mooier dan de vorige keer. En het regent inmiddels niet meer. Erwin Zijleman



dinsdag 15 oktober 2013

Prefab Sprout - Crimson/Red

Het is volgend jaar al weer 30 jaar geleden dat Prefab Sprout debuteerde met Swoon. Swoon was zeker geen meesterwerk, maar het was wel een plaat die deed vermoeden dat we nog veel moois zouden gaan horen van Prefab Sprout. Nauwelijks een jaar later lag Steve McQueen in de winkel en had Prefab Sprout één van de beste popplaten aller tijden afgeleverd. Het is een plaat die de band rond voorman Paddy McAloon nooit meer zou overtreffen, maar nog wel meerdere malen zou benaderen (ook From Langley Park To Memphis schaar ik onder mijn favoriete platen uit de 80s). Na het eveneens geweldige Jordan: The Comeback uit 1990 zakte de productiviteit van Prefab Sprout flink in en moesten we het lange tijd doen met twee net wat mindere platen. In 2009 keerde de band echter op het oude niveau terug met Let’s Change The World With Music, dat achteraf vrijwel gelijktijdig met Jordan: The Comeback bleek opgenomen. Het na een stilte van vier jaar verschenen Crimson/Red bevat wel echt nieuw materiaal, al grijpt Paddy McAloon ook op de nieuwe plaat nadrukkelijk terug op het uit duizenden herkenbare en nog altijd onweerstaanbare geluid van Steve McQueen en From Langley Park To Memphis. Op Crimson/Red prijkt de naam van Prefab Sprout, maar feitelijk is het een soloplaat van Paddy McAloon, deels noodgedwongen omdat McAloon door ernstige problemen met zijn gehoor en gezichtsvermogen niet meer in een normale setting kan musiceren. Crimson/Red is als je het mij vraagt een opzienbarende plaat geworden. Paddy McAloon had altijd al het patent op heerlijk in het gehoor liggende maar tegelijkertijd ook bijzonder complexe songs en dit patent wordt ook op Crimson/Red weer breed uitgebuit. Zeker voor iedereen die Prefab Sprout hoog heeft zitten is Crimson/Red een vrijwel onweerstaanbare plaat die je mee terug neemt naar de jaren 80, maar ook laat horen dat de muziek van Prefab Sprout na al die jaren nog niets van zijn kracht en betovering heeft verloren. Paddy McAloon dankt de herkenbaarheid van zijn muziek vooral aan zijn bijzondere stem, maar ook de songs op de platen van Prefab Sprout bevatten een stempel dat eigenlijk alleen maar van Paddy McAloon afkomstig kan zijn. Het prachtig klinkende Crimson/Red is voorzien van overvolle arrangementen, maar van overdaad is nergens sprake. Ieder instrument dat je hoort lijkt functioneel en draagt bij aan de schoonheid van het geluid van Prefab Sprout. Vier jaar concludeerde ik wat voorbarig dat Paddy McAloon nog altijd een meester was in het maken van fantastische popsongs. Dat was misschien nog wat voorbarig, Let’s Change The World With Music bleek immers al heel lang op de plank te liggen, maar met Crimson/Red haal ik vier jaar later alsnog mijn gelijk. Met Crimson/Red heeft Paddy McAloon een plaat gemaakt die herinnert aan de hoogtijdagen van Prefab Sprout. Prachtig voor nostalgische gevoelens, maar het is ook popmuziek van een niveau dat heden ten dage nog steeds maar door heel weinig muzikanten wordt gehaald en garant staat voor constante verleiding en betovering. Ik ben echt verschrikkelijk blij met Crimson/Red van Prefab Sprout en ben vast niet de enige (hoop ik). Erwin Zijleman



maandag 14 oktober 2013

Paul McCartney - New

Met welke verwachtingen begin je aan de beluistering van een nieuwe plaat van Paul McCartney? Dat is lastig. Aan de ene kant weet je dat hij zijn niveau uit een inmiddels heel ver verleden nooit meer zal benaderen, laat staan overtreffen, maar aan de andere kant weet je ook dat een McCartney plaat altijd wel goed is voor een of twee echt memorabele popsongs, waarbij ieder voor zich mag bepalen of dat genoeg is. Voor mij meestal wel overigens. Het afgelopen decennium is McCartney echter minder voorspelbaar dan in de jaren 80 en 90. De afgelopen tien jaar maakte de inmiddels 71 jarige legende twee platen die moeten worden gerekend tot het beste dat McCartney na zijn echte gloriejaren maakte (Chaos And Creation In The Back Yard en Memory Almost Full), twee platen met klassieke c.q. ballet muziek (Ecce Cor Meum en Ocean’s Kingdom), twee nogal overbodige live-platen (Back in the World: Live en Good Evening New York City) en een aardige maar zeker niet wereldschokkende plaat met vertolkingen van songs uit zijn jeugd (Kisses On The Bottom). Ruim zes jaar na het, zoals gezegd, uitstekende Memory Almost Full verschijnt New, dat weer in de boeken kan als een "reguliere" Paul McCartney plaat. Afgaande op het geluid op New kunnen we concluderen dat Paul McCartney is begonnen aan zijn zoveelste jeugd. Samen met een viertal producers zet hij een fris en energiek klinkend geluid neer en net als op al zijn andere platen laat hij meer dan eens horen dat hij moet worden gerekend tot de beste songwriters aller tijden. De tijd dat alles wat Paul McCartney aanraakte veranderde in goud ligt al heel lang achter ons (en zelfs op zijn beste platen was altijd wel een misser te vinden), maar het aantal voltreffers ligt op New wederom hoger dan in de jaren 80 en 90 het geval was, waarmee Paul McCartney de lijn van Chaos And Creation In The Back Yard en Memory Almost Full door trekt. Op New werkt McCartney zoals gezegd met vier producers en het zijn vier producers met geldingsdrang. Paul Epworth, Mark Ronson en Ethan Johns hebben hun sporen als producer inmiddels ruimschoots verdiend, terwijl Giles Martin niet alleen een aanstormend talent is maar bovendien de zoon van de voor de Beatles essentiële producer George Martin. Persoonlijk bevalt de bijdrage van Ethan Johns, die de muziek van McCartney het meest terug brengt tot de essentie, me het best, maar ook de hitgevoelige aanpak van Mark Ronson, het nostalgische geluid van Paul Epworth en de vernieuwende impulsen van Giles Martin doen hun werk. Het zorgt er uiteindelijk voor dat McCartney veel vaker overtuigt dan we van hem gewend zijn. Natuurlijk moet je New niet vergelijken met zijn platen uit de jaren 70, maar net als op Memory Almost Full maakt McCartney wel muziek die er toe doet en die de man recht doet, wat gezien zijn enorme staat van dienst knap is. Uiteindelijk zal ik wel weer grijpen naar McCartney, Ram of Tug Of War (de vergeten parel uit zijn oeuvre), maar voorlopig ben ik heel blij met New. Bovendien weet ik dat mijn persoonlijke compilatie met zijn beste songs wederom met een aantal songs is uitgebreid, wat ik op voorhand niet had verwacht. Verrassend sterke plaat dus van deze levende legende. Erwin Zijleman



zondag 13 oktober 2013

Jonathan Wilson - Fanfare

Jonathan Wilson mislukte in eerste instantie als singer-songwriter, maar bleek uiteindelijk zeer succesvol als sessiemuzikant en producer. Twee jaar geleden deed Wilson nog één ultieme poging om als singer songwriter aan de bak te komen, wat in de vorm van Gentle Spirit een heuse jaarlijstjesplaat opleverde. Gentle Spirit liet zich beluisteren als één groot eerbetoon aan de muziek die in de vroege jaren 70 in de Laurel Canyon aan de rand van Los Angeles werd gemaakt. Daarmee was Jonathan Wilson zeker niet uniek, maar in tegenstelling tot zijn vele soortgenoten slaagde Wilson er wel in om muziek te maken die na al het moois uit de rijke historie van het genre niet achterhaald en overbodig klonk. Door gebruik te maken van antieke opnameapparatuur klonk Gentle Spirit als een psychedelisch singer-songwriter meesterwerk uit vervlogen tijden; in eerste instantie vooral geschikt voor een trip down Memory Lane, maar uiteindelijk één van de onbetwiste hoogtepunten van het mooie muziekjaar 2011. Voor Gentle Spirit wist Jonathan Wilson flink wat muzikanten van naam en faam te strikken en dat is hem ook voor de opvolger van de plaat gelukt. Fanfare bevat gastbijdragen van onder andere Jackson Browne, Graham Nash en David Crosby. Dat suggereert dat ook Fanfare weer naadloos aansluit op de muziek uit de hoogtijdagen van de Laurel Canyon scene, maar dat is maar ten dele het geval. Jonathan Wilson bestrijkt dit keer een net iets bredere periode en staat bovendien open voor meer invloeden. De jaren 70 staan nog altijd centraal op Fanfare, maar naast invloeden uit de Laurel Canyon en heel veel psychedelica horen we dit keer ook Westcoast pop, invloeden van een aantal grote singer-songwriters uit de jaren 70 (Bob Dylan, John Lennon, Neil Young), Beatlesque invloeden en zelfs flarden uit de funk, jazz en progrock. Fanfare is net als Gentle Spirit een opvallend lange plaat. De klok stop ook dit keer pas na een kleine twee uur muziek en net als op Gentle Spirit is het muziek van grote schoonheid. Fanfare is, net als zijn voorganger, geen plaat die je onmiddellijk kunt doorgronden. Jonathan Wilson is geen muzikant die eindeloos schaaft aan zijn songs en deze vervolgens pas opneemt wanneer ieder detail is uitgewerkt. Een aantal songs op Fanfare lijkt pas op het moment van de opname vorm te krijgen, waardoor het je niet eens zou verbazen ze bij hernieuwde beluistering van de plaat opeens totaal anders zouden klinken. De meeste tracks op de plaat zijn lang (6 minuten of meer), maar van verveling is geen sprake. Waar het beluisteren van Gentle Spirit hooguit een handvol namen opleverde, is het aantal hoorbare invloeden nu niet meer op de vingers van twee handen bij te houden. Neil Young, Crosby, Stills & Nash en vooral Pink Floyd zullen het meest genoemd worden, maar hier kunnen talloze smaakmakers uit de 70s aan worden toegevoegd, wat van de beluistering van Fanfare een even aangename als fascinerende luistertrip maakt. Vergeleken met het debuut kiest Jonathan Wilson dit keer voor een rijker georkestreerd geluid waarin piano en strijkers de gitaren zo nu en dan naar de achtergrond dringen, maar een aantal songs ligt zeker in het verlengde van die op Gentle Spirit. Ik heb Fanfare nu een paar keer gehoord en blijf maar nieuwe dingen horen. Een ding weet ik na die paar keer horen al zeker: Fanfare is één van de hoogtepunten van het muziekjaar 2013. Het predicaat meesterwerk durf ik inmiddels al wel uit de kast te halen, maar Fanfare is nog niet uitgegroeid. Nog lang niet. Erwin Zijleman



zaterdag 12 oktober 2013

Audrey Auld - Tonk

Het is als je het mij vraagt bijna een belediging om Audrey Auld het plekje op deze BLOG te geven dat normaal gesproken is gereserveerd voor minder bekend talent in het rootssegment. Audrey Auld maakt immers al dertien jaar fantastische platen, die helaas veel te weinig aandacht krijgen, ook op deze BLOG (besef ik me met het schaamrood op de kaken), al heb ik in een verder verleden vaker stil gestaan bij de muziek van Audrey Auld. Deze week op de Krenten uit de Pop dan eindelijk aandacht voor de muziek van Audrey Auld. Audrey Auld werd geboren in Australië en groeide ver van de bewoonde wereld op. Ze maakte pas in haar tienerjaren kennis met popmuziek en bleek al snel gezegend met het nodige muzikale talent. Aan de hand van Bill Chambers (de vader van Kasey) kwam ze terecht in de countryhoek en maakte ze uiteindelijk de overstap naar de Verenigde Staten, waar ze inmiddels al geruime tijd woont. Op de prima platen die Audrey Auld tot dusver heeft afgeleverd (vooral Losing Faith uit 2003 kan ik zeer warm aanbevelen) kon ze niet kiezen tussen traditionele country, alternatieve country, meer rock georiënteerde Americana en rockabilly. Dat kan ze op het eerder dit jaar in de VS verschenen en nu gelukkig ook in Nederland uitgebrachte Tonk nog steeds niet. Tonk laat old school countrymuziek met veel gevoel voor traditie horen, maar bevat ook flink wat uitstapjes die suggereren dat Audrey Auld niet alleen regelmatig in Nashville, Tennessee, is te vinden, maar ook de wat rauwere muziek scene van Austin, Texas, goed kent. In muzikaal opzicht klinkt het allemaal fantastisch, met als je het mij vraagt een hoofdrol voor de viool en de gitaren, maar het krachtigste wapen van Audrey Auld is ook op Tonk weer haar geweldige stem. De stem van Audrey Auld is krachtig, kan op bijzonder overtuigende wijze uithalen en kan indien nodig genadeloos inpakken met de in de countrymuziek zo onmisbare snik (waarmee Audrey Auld dicht in de buurt komt van haar landgenote Kasey Chambers). Het is een stem die goed genoeg is om te worden vergeleken met de beste zangeressen in het genre en ook met haar platen hoort Audrey Auld zo langzamerhand tussen deze zangeressen thuis. Tonk is een plaat die liefhebbers van traditionele en wat modernere countrymuziek onmiddellijk zal weten te raken, maar ook liefhebbers van wat meer rock georiënteerde singer-songwriters als Lucinda Williams zullen Tonk zeer weten te waarderen. Tonk is een plaat waar het plezier van af spat, maar ondanks de hoorbare lol maakt Audrey Auld ook muziek van grote klasse. Tonk die moet worden gekoesterd door liefhebbers van Amerikaanse rootsmuziek. Zo snel mogelijk. Erwin Zijleman



vrijdag 11 oktober 2013

Anna Calvi - One Breath

De Brits-Italiaanse Anna Calvi maakte in de eerste weken van 2011 een debuut dat eigenlijk nauwelijks te overtreffen valt. Brian Eno noemde haar onmiddellijk "the biggest thing since Patti Smith", anderen roemden de wijze waarop Anna Calvi aan de haal ging met de muzikale erfenis van onder andere Siouxsie Sioux, Jeff Buckley, Nick Cave en P.J. Harvey, weer anderen liep het water in de mond van haar geweldige gitaarspel. Hoe overtref je een debuut dat nauwelijks te overtreffen valt? Het kan door een compleet nieuwe weg in te slaan of door gewoon voort te borduren op het debuut maar alles net wat beter te doen. Anna Calvi kiest op One Breath voor een combinatie van beiden, wat een geweldige plaat oplevert. One Breath opent met twee songs die met een beetje fantasie ook op het debuut hadden kunnen staan, al klinkt de zang wat mij betreft beter, zijn de instrumentatie en de productie doeltreffender en en klinkt de Brits-Italiaanse muzikante vooral grootser en meeslepender. Na de overweldigende openers die blakend van zelfvertrouwen worden uitgevoerd en aan komen als een mokerslag, durft Anna Calvi ook gas terug te nemen. Ze experimenteert met complexe ritmes en elektronica en durft kwetsbaar te klinken. Welke route Anna Calvi ook kiest, ze maakt op One Breath muziek die zonder uitzondering overloopt van spanning en ieder moment tot uitbarsting kan komen, wat ook meerdere keren gebeurt. Met name de zang van Anna Calvi maakt op One Breath heel veel indruk, maar ook het gitaarwerk mag er weer zijn. Dit gitaarwerk varieert van uiterst subtiel tot allesvernietigend, maar het staat altijd volledig in dienst van de songs van Anna Calvi. Ook One Breath roept weer de vergelijking op met het werk van met name Patti Smith, P.J. Harvey en Siouxsie Sioux, maar Anna Calvi is op One Breath de vergelijking met anderen ook wel voorbij en maakt muziek die een opvallend eigen geluid laat horen. Natuurlijk weet One Breath niet zo te verrassen als het debuut, maar tegenvallen doet de plaat geen moment. Integendeel. One Breath is een plaat die direct een onuitwisbare indruk maakt, maar pas op de juiste waarde kan worden geschat wanneer je hem meerdere keren hebt gehoord. Dan pas hoor je dat met name het gitaarwerk meer dan eens refereert aan de Berlijnse periode van David Bowie, hoor je hoe mooi Anna Calvi bezwerende strijkers en rauwe gitaren weet te vermengen, valt op hoe eenvoudig Anna Calvi overschakelt van lawaai naar stilte en merk je hoe diep de nieuwe songs van Anna Calvi onder de huid kruipen. De muziekcritici hebben het nog vaak over de altijd moeilijke tweede plaat na een succesvol debuut, maar ik kom ze eerlijk gezegd nauwelijks meer tegen. Voor Anni Calvi is het in ieder geval geen enkel probleem gebleken. One Breath is minstens even goed als het onaantastbaar geachte debuut en als je het mij vraagt zelfs beter. Knap. Erwin Zijleman



donderdag 10 oktober 2013

Sarah Jarosz - Build Me Up From Bones

De uit Austin, Texas, afkomstige Sarah Jarosz is pas 22, maar ze heeft al een heel muzikaal leven achter zich. Op haar 12e speelde ze al mandoline op het podium bij menige bluegrass grootheid en op haar 17e debuteerde ze met het uitstekende Song Up In Her Head, dat ik op deze BLOG vergeleek met de platen van onder andere Alison Krauss, Gillian Welch, Patty Griffin, Emmylou Harris, Nickel Creek en de Dixie Chicks; geen namen om je voor het schamen, integendeel. Ook het in 2011 verschenen Follow Me Down, dat vanuit de traditionele bluegrass nog wat meer bruggen sloeg richting andere genres, kon op deze BLOG rekenen op zeer lovende woorden. Het droeg helaas niet bij aan de bekendheid van Sarah Jarosz in Nederland. Haar derde plaat, Build Me Up From Bones, werd eerder deze maand in de VS geschaard onder de belangrijkste releases van het moment, maar in Nederland heb ik nog nauwelijks iets over de plaat gehoord. Het is doodzonde, want ook op haar derde plaat is Sarah Jarosz weer uitstekend bezig en dat is een understatement. Build Me Up From Bones volgt in grote lijnen hetzelfde recept als zijn twee voorgangers. Ook dit keer heeft Sarah Jarosz zich omringd met de nodige snarenwonders (onder wie  Chris Thile, Darrell Scott, Jerry Douglas en Viktor Krauss), speelt ze zelf zeer verdienstelijk gitaar, banjo en mandoline en kiest ze wederom voor een mix van eigen songs en twee hele bijzondere covers (dit keer Bob Dylan's Simple Twist Of Fate en The Book Of Right-On van Joanna Newsom).  Vergeleken met de twee voorgangers is Sarah Jarosz nog veel mooier gaan zingen en treedt ze bovendien nog nadrukkelijker buiten de gebaande paden van de bluegrass. Build Me Up From Bones is nog altijd niet vies van traditioneel aandoende bluegrass, maar verrast ook met impulsen uit de Americana, folk, blues, rock en jazz. Liefhebbers van muzikaal vuurwerk komen uitstekend aan hun trekken met zowel akoestisch als elektrisch snarenwerk (inclusief strijkers) van wereldklasse, maar ook liefhebbers van vocaal vuurwerk hebben niets te klagen. Sarah Jarosz schaart zich met haar derde plaat definitief onder de beste zangeressen in het genre en wordt ook nog eens bijgestaan door Aiofe O'Donovan en Kate Rusby; ook beiden toppers in de genres waarin ze opereren. Met zoveel snarenvirtuozen en zang die continu garant staat voor kippenvel, kun je zelfs met de beste wil van de wereld geen slechte plaat meer maken, maar Sarah Jarosz schrijft ook nog eens geweldige songs. Het zijn songs die laten horen dat Sarah Jarosz naast haar grenzeloze muzikaliteit ook nog eens de nodige levenservaring kan inbrengen. Op basis van haar eerste twee platen durfde ik Sarah Jarosz nog wel een belofte voor de toekomst te noemen, maar die status is ze met het geweldige Build Me Up From Bones heel ver voorbij. Een must voor iedere liefhebber van rootsmuziek in het algemeen en bluegrass in het bijzonder, maar ook liefhebbers van mooie vrouwenstemmen met inhoud zullen deze plaat zeer kunnen waarderen, al is het maar omdat Sarah Jarosz zich met haar derde plaat niet meer in een hokje laat duwen maar wel continu topkwaliteit aflevert. Erwin Zijleman



woensdag 9 oktober 2013

Au Revoir Simone - Move In Spectrums

Ik heb inmiddels al een jaar of zeven een zwak voor de muziek van Au Revoir Simone. Dat zwak werd in de eerste jaren van het bestaan van het uit Brooklyn afkomstige trio gevoed door drie platen in drie jaar tijd, maar na Verses Of Comfort, Assurance & Salvation uit 2006, The Bird of Music uit 2007 en Still Night, Still Light uit 2009 is het een tijd lang stil geweest rond Heather D'Angelo, Erika Forster en Annie Hart. Met Move In Spectrums is Au Revoir Simone gelukkig terug en gaat het voor een belangrijk deel verder waar het vier jaar geleden is opgehouden. Alle drie de dames zorgen nog altijd voor fraaie klanken uit uiteenlopende synths en drummachines en voorzien deze klanken van mooie heldere vocalen. Move In Spectrums ligt hierdoor in het verlengde van zijn drie voorgangers, maar meer van hetzelfde is het zeker niet. De vierde plaat van Au Revoir is zonder meer de best klinkende plaat van het trio en ook de meest gevarieerde. Au Revoir Simone strooit alsof het nooit is weg geweest met lichtvoetige popliedjes die vol zitten met echo’s vanuit de jaren 80, maar ook bijzonder eigentijds klinken. In het verleden was de muziek van het trio opvallend lichtvoetig en zweverig, maar dat is deels verleden tijd. Move In Spectrums bevat ook een aantal van deze tracks, maar Au Revoir Simone schuwt op haar nieuwe plaat ook schaamteloos aanstekelijke electropop of juist aardedonkere klanken niet. Hier en daar schuurt de band dicht aan tegen een van de grotere hypes van dit moment, het overigens zeker niet tegenvallende Chvrches, maar juist het contrast tussen zonnige elektropop en donkere elektronische wolken maakt de muziek van Au Revoir Simone bijzonder, waardoor ik Move In Spectrums beter vind dan het zo bewierookte debuut van Chvrches. Voor een fan van het eerste uur is het hoe dan ook smullen. Telkens als Move In Spectrums van Au Revoir Simone uit de speakers komt zie ik andere fraaie beelden op het netvlies en vergeet ik even wat er ook al weer op de takenlijst stond. Waar vroeger de pasteltinten overheersten in deze beelden, varieert de muziek van Au Revoir Simone dit keer van veelkleurig tot gitzwart. Ondanks het beperkte instrumentarium valt er enorm veel te horen in de fraaie elektronische klanken op Move In Spectrums, waardoor de plaat blijft boeien. Zeker de tracks met flink wat invloeden uit de 80s synthpop zijn nagenoeg onweerstaanbaar, maar ook de net wat experimentelere tracks op de plaat overtuigen heel erg makkelijk. Move In Spectrums is een plaat vol contrast en zonder clichés. Om het contrast te benadrukken onthaal ik de plaat maar eens met een van de grootste clichés die er is: we hebben lang moeten wachten op Move In Spectrums van Au Revoir Simone, maar het was het wachten waard. Meer dan waard. Erwin Zijleman



dinsdag 8 oktober 2013

Revere - My Mirror/Your Target

Revere is een Britse band die al een paar jaar aan de weg timmert, maar My Mirror/Your Target is mijn eerste kennismaking met de band uit Londen. Het is een kennismaking die ik niet snel zal vergeten, want direct bij eerste beluistering was ik zeer onder de indruk van de plaat. My Mirror/Your Target opent ingetogen en op bijna Elbow achtige wijze, maar slaat al snel om in een track die mij vooral aan David Bowie doet denken en niet alleen vanwege de zang. Na de indrukwekkende opener gaat de galm er op en sluit Revere aan bij de grootse muziek van bands als Editors en White Lies, waarbij gezegd moet worden dat de muziek van Revere wel wat eigenwijzer en bovendien nog net wat grootser is. My Mirror/Your Target is een plaat die uitnodigt tot name dropping. Wanneer wordt gekozen voor een bombastisch geluid duiken Muse en The Arcade Fire op, wanneer de nadruk ligt op Britpop denk je aan Pulp en Suede, wanneer de band gas terugneemt en kiest voor atmosferisch gitaarwerk en bezwerende strijkers ben je terug bij Elbow of kom je uit bij The Verve en wanneer de gitaren mogen scheuren komt een band als Placebo binnen bereik. Hiermee ben ik er overigens nog lang niet, maar name dropping is altijd maar even leuk. Wanneer zoveel verschillende namen opduiken bij beluistering van een plaat kan over het algemeen geconcludeerd worden dat het gaat om een bijzondere plaat en dat gaat ook zeker op voor My Mirror/Your Target van Revere. My Mirror/Your Target is een prachtige opgebouwde plaat die op het eerste gehoor op twee gedachten lijkt te hinken. Aan de ene kant is de band al helemaal klaar voor de grote zomerfestivals en lijkt wereldwijd succes een kwestie van tijd, maar aan de andere kant doet Revere ook continu dingen die je niet verwacht en daar houdt het grote publiek meestal niet van. Zelf ben ik diep onder de indruk van de plaat. De grootse en meeslepende songs zijn vrijwel onweerstaanbaar, terwijl de vele verrassende wendingen de muziek van Revere heel veel extra kracht geven. Wanneer ik luister naar My Mirror/Your Target begrijp ik eigenlijk niet dat Revere niet al lang heel groot is. De band grossiert in songs die klaar zijn voor wereldheerschappij en deze songs lopen ook nog eens over van creativiteit en avontuur, waardoor een rechttoe rechtaan gitaarsong kan ontaarden in bijna klassieke muziek vol strijkers en blazers of ouderwetse folk. Laat een willekeurige muziekliefhebber luisteren naar de songs van My Mirror/Your Target en vraag achteraf hoeveel bands hij of zijn heeft gehoord. Ik voorspel dat het er vaak minstens een handvol zullen zijn geweest. Zelf ben ik inmiddels al een tijdje verslaafd aan deze door de fans van de band gefinancierde plaat, maar ik hoor nog steeds nieuwe dingen. Conclusie: Revere is een enorme aanwinst voor de popmuziek, My Mirror/Your Target een grootse en imponerende plaat. Erwin Zijleman