woensdag 20 september 2017

Anna Of The North - Lovers

Anna Of The North klinkt als een vervaarlijk karakter uit Game Of Thrones, maar het is het alter ego van de jonge Noorse muzikante Anna Lotterud. 

Deze Anna Lotterud zette haar eerste stappen als muzikante toen ze in Australië studeerde, scoorde vervolgens een wereldwijde YouTube hit met Sway en debuteert dan nu als Anna Of The North. 

Ik moet toegeven dat ik Lovers bij eerste beluistering zeker niet zag als een krent uit de pop, maar langzaam maar zeker heeft Anna Of The North me toch weten te veroveren met haar debuut. 

Bij eerste en misschien wat oppervlakkige beluistering was ik zoals gezegd niet erg onder de indruk van Lovers. De plaat vulde de ruimte weliswaar met een aangenaam elektronisch klankentapijt, lome beats en een heerlijk onderkoelde stem, maar klonk eerlijk gezegd toch ook wel wat doorsnee en niet heel anders dan de 13 in een dozijn electropop waarmee we momenteel worden overvoerd. 

Lovers van Anna Of The North is echter een plaat die snel aan kracht wint, al moet je er wel voor in de stemming zijn en moet je wel enige liefde hebben ontwikkeld voor hitgevoelige electropop. 

Het sterkste wapen van Anna Lotterud is haar stem. Het is een stem die zoals gezegd heerlijk onderkoeld en aangenaam verveeld kan klinken, maar het is een stem die uiteindelijk ook overeind blijft; iets waar het bij de meeste soortgenoten van Anna Of The North flink aan schort. 

De stem van Anna Lotterud wijkt soms niet zoveel af van die van alle soortgenoten, maar hier en daar verraadt de Noorse zangeres veel talent. Lovers klinkt dan opeens een stuk urgenter, of tijdlozer, want ook het maken van tijdloze popmuziek is een kunstje dat Anna Lotterud uitstekend blijkt te beheersen. 

Lovers klinkt op het eerste gehoor misschien als een 13 in een dozijn electropop plaat, maar luister wat beter en je hoort veel variatie en zo hier en daar ook diepgang. Bij net wat aandachtigere beluistering hoor je dat Anna Of The North een zwak heeft voor elektronische popmuziek uit de jaren 80 en 90, waarbij ze op indrukwekkende wijze balanceert op het randje tussen kunst en kitsch, maar altijd aan de goede kant van de streep blijft. 

Anna Of The North heeft hiernaast een zwak voor de 70s pop van Fleetwood Mac en slaagt er in om tijdloze popliedjes met een 70s feel te voorzien van een hedendaags elektronisch geluid, net zoals een band als HAIM dat zo goed kan. 

Het klinkt misschien wat makkelijk, maar ondertussen kleurt de jonge Noorse Anna stiekem toch flink buiten de lijntjes, bijvoorbeeld in de spannende ritmes of de ijskoude geluidstapijten. Lovers vervloog bij eerste beluistering nog net zo snel als ammoniak, maar hoe vaker ik het debuut van Anna Of The North hoor, hoe dierbaarder de popliedjes van de Noorse muzikante worden. 

Enige liefde voor elektronische popliedjes is zoals gezegd vereist, maar als aan deze voorwaarde is voldaan, verleidt Anna Lotterud net zo makkelijk als de gemiddelde popprinses, maar bezweert ze ondertussen als een Scandinavische ijsprinses. Een waarschuwing is overigens wel op zijn plaats. Bij gevoeligheid voor het genre waarin Anna Of The North opereert, kan haar debuut Lovers angstaanjagend verslavend zijn. Erwin Zijleman





dinsdag 19 september 2017

Jolie Holland & Samantha Parton - Wildflower Blues

Jolie Holland groeide op in het diepe zuiden van de Verenigde Staten (Houston, Texas), maar vergaarde haar eerste muzikale roem vanuit het Canadese Vancouver, waar ze samen Samantha Parton de band The Be Good Tanyas formeerde. 

Aangevuld met Frazey Ford en Trish Klein leverde de band in 2001 een zeer memorabel en succesvol debuut af (Blue Horse). Jolie Holland had de band inmiddels al weer verlaten en koos voor een solocarrière in de Verenigde Staten. 

Dat leverde tussen 2003 en 2014 een handvol geweldige platen op, met The Living And The Dead uit 2006 en Wine Dark Sea uit 2014 als mijn persoonlijke favorieten. In mijn recensie van de laatstgenoemde plaat gunde ik Jolie Holland zelfs een standbeeld voor haar platen en daar sta ik nog steeds achter. 

Het was een tijd stil rond de Amerikaanse singer-songwriter, maar vorige week lag er gelukkig weer een nieuwe plaat van Jolie Holland in de winkel. Op Wildflower Blues doet Jolie Holland het voor de afwisseling eens niet in haar uppie, maar werkt ze samen met Samantha Parton, met wie ze in 1999 The Be Good Tanyas formeerde. Het levert een hele bijzondere en verrassend sterke plaat op. 

Op Wildflower Blues maken Jolie Holland en Samantha Parton bijzonder ingetogen, intieme, donkere en broeierige muziek. Het is laid-back muziek die diep is geworteld in de soul, gospel, blues, jazz en folk van het zuiden van de Verenigde Staten en die direct beelden van snikhete veranda’s aan de Mississippi op het netvlies tovert. 

Wildflower Blues is een bijzonder ingetogen, maar ook verrassend subtiele plaat. De instrumentatie kabbelt zachtjes op de achtergrond en dringt zich slechts incidenteel op met mooie pianoloopjes of wonderschone gitaarlijnen van Jolie Holland, Samantha Parton en Paul Rigby, die tekent voor de bijdragen van de fuzz guitar. 

Het tempo op Wildflower Blues ligt over het algemeen genomen uiterst laag, wat het lome karakter van de muziek op de plaat alleen maar versterkt. Wat geldt voor de instrumentatie, geldt overigens ook voor de vocalen op de plaat. Ook deze slepen zich vaak langzaam voort en zijn over het algemeen fluisterzacht. Het zorgt voor een hele bijzonder sfeer. 

Wildflower is een intieme en wonderschone plaat, maar het is ook een donkere en dreigende plaat. Het is een plaat die op de achtergrond snel zal vervliegen, maar bij aandachtige beluistering is de impact van Wildflower Blues bijna beangstigend groot. Jolie Holland en Samantha Parton hebben een plaat gemaakt die je langzaam maar zeker compleet opslokt, of je dat nu wilt of niet. 

Tijdens dit proces worden de gitaarlijnen op de plaat alleen maar mooier en mistiger en kruipen de fluisterzachte vocalen steeds dieper onder de huid. Het zorgt er voor dat Wildflower Blues snel transformeert van een mooie en intieme plaat met traditioneel klinkende rootsmuziek tot een plaat die je niet meer wilt missen en die je bij iedere nieuwe beluistering nog wat dieper raakt. 

In de eigen songs en vertolkingen van songs van onder andere Townes van Zandt en Bob Dylan bouwen Samantha Parton en Jolie Holland keer op keer de spanning genadeloos op, tot het moment dat je als luisteraar bijna bezwijkt. 

Wildflower Blues is waarschijnlijk geen plaat die hele volksstammen aanspreekt, maar een ieder die een zwak heeft voor broeierige klanken en bezwerende vocalen kan de plaat van Jolie Holland en Samantha Parton wel eens in zijn of haar jaarlijstje zien opduiken. Rijk en beroemd gaat Jolie Holland er niet mee worden, maar dat standbeeld verdient ze na deze bijzonder mooie en indringende plaat nog wat meer. Erwin Zijleman





maandag 18 september 2017

Intergalactic Lovers - Exhale

Little Heavy Burdens was al weer bijna drie jaar geleden mijn eerste kennismaking met het werk van de Belgische band Intergalactic Lovers. 

Met hun tweede plaat haalde de band uit het Vlaamse Aalst vol overtuiging mijn jaarlijstje, waarna mijn liefde voor Little Heavy Burdens alleen maar groeide. 

Mede door het succes van de plaat heeft de band de afgelopen jaren heel veel op het podium kunnen staan (in binnen- en buitenland) en dat hoor je op de nieuwe plaat van Intergalactic Lovers. 

Exhale is een ambitieuze plaat die een wat zelfverzekerder geluid laat horen dan zijn voorganger, wat ongetwijfeld deels de verdienste zal zijn van de gelouterde producer Britse Gil Norton, die eerder werkte met grote bands als Pixies, Echo & the Bunnymen, Foo Fighters en The Triffids. 

Little Heavy Burdens vergeleek ik bijna drie jaar geleden vooral met de muziek van The Sundays en PJ Harvey. Ook Exhale roept associaties op met de muziek van deze twee tegenpolen, zeker wanneer de muziek van Intergalactic Lovers lichtvoetig en zonnig of juist donker en dreigend klinkt. 

Vergeleken met Little Heavy Burdens kiest de Vlaamse band op Exhale echter vaker voor een wat toegankelijker en zelfverzekerder geluid, waarin meer dan eens flarden postpunk (variërend van Interpol en Editors tot The Cure en Siouxsie & The Banshees) opduiken en bovendien de rol van elektronica en strijkers is toegenomen. 

In de wat rechttoe rechtaan songs op de plaat, die overigens erg lekker klinken, mist Exhale het bijzondere van zijn voorganger, maar naarmate de plaat vordert groeit de variatie en voegt de band meer kleur en dynamiek toe aan haar muziek. 

Intergalactic Lovers vertrouwde op haar vorige plaat terecht voor een belangrijk deel op de geweldige stem van zangeres Lara Chedraoui. Zeker in de wat stevigere songs op de plaat moet Lara Chedraoui vechten om aandacht, maar wanneer de band na een aantal tracks gas terug neemt groeit de rol van de zang en stijgt Exhale onmiddellijk naar grote hoogten. 

Intergalactic Lovers beschikte op haar vorige plaat over het vermogen om muziek te maken die steeds weer nieuwe dingen liet horen en ook Exhale is gelukkig weer een plaat die nog heel lang groeit. 

De eerste stream van de plaat heb ik inmiddels een aantal weken in mijn bezit en waar ik Exhale op het eerste gehoor wat vlakker en minder bijzonder vond klinken dan Little Heavy Burdens, is de nieuwe plaat van de Vlaamse band inmiddels enorm gegroeid en zijn er nog steeds nieuwe accenten die genadeloos verleiden. 

De wat grootsere tracks op de plaat hakken er direct lekker in, maar zijn bij herhaalde beluistering zeker niet de beste tracks op de plaat. Even doorbijten is dus het advies, maar de beloning laat niet lang op zich wachten. 

Ook Exhale is weer een plaat vol heerlijk gitaarwerk en geweldige zang en het is bovendien een plaat met songs die bol staan van de invloeden, maar ook anders klinken dan de som van al deze invloeden. Of Exhale over een paar maanden net zo hoog gaat reiken als zijn voorganger drie jaar geleden durf ik nog niet te voorspellen, maar kansloos is Exhale zeker niet. Erwin Zijleman





zondag 17 september 2017

The Lone Bellow - Walk Into The Storm

The Lone Bellow is een band uit Brooklyn, New York, die in de Verenigde Staten de jaarlijstjes haalt, maar in Europa tot dusver helaas geen potten weet te breken. Ik begrijp daar eerlijk gezegd niet zoveel van, want de eerste twee platen van The Lone Bellow waren werkelijk geweldig. 

Op het titelloze debuut van de band uit 2013 liet de band Americana horen zoals die ook door bands als The Civil Wars en The Lumineers (dat helaas nog steeds wordt geassocieerd met één niemendalletje) wordt gemaakt, terwijl het door The National’s Aaron Dessner geproduceerde Then Came The Morning uit 2015 imponeerde met een voller, avontuurlijker, veelzijdiger en gloedvoller geluid en bovendien diepe indruk maakte met vocalen die de hele plaat garant stonden voor kippenvel. 

Walk Into The Storm is de derde plaat van de Amerikaanse band, die het hippe Brooklyn inmiddels heeft verruild voor de bakermat van de country, Nashville, Tennessee. In Nashville dook The Lone Bellow vervolgens de studio in met Dave Cobb, momenteel met afstand de meest gewilde producer binnen de Amerikaanse rootsmuziek. 

De verhuizing naar Nashville en de samenwerking met Dave Cobb hebben zeker hun sporen nagelaten in de muziek van The Lone Bellow. Walk Into The Storm schuurt, zeker vergeleken met Then Came The Morning, dichter tegen de traditionele countrymuziek aan, terwijl Dave Cobb heeft gezorgd voor een geluid vol invloeden uit de jaren 70. 

Het is een geluid dat mogelijkheden biedt voor The Lone Bellow. Zeker in de flirts met countryrock en aandacht voor de muzikale erfenis van Crosby, Stills, Nash & Young en The Eagles kan het muzikale vuurwerk worden ontstoken en dat doet The Lone Bellow dan ook met grote regelmaat op Walk Into The Storm. 

Voorman Zach Williams laat ook op de derde plaat van The Lone Bellow weer horen dat hij een groot zanger is en bovendien een zanger is die zijn ziel en zaligheid in zijn stem kan leggen. De band beschikt met Kanene Donehey Pipkin echter over nog een stem die iets met je doet en zeker wanneer de twee samen de registers open trekken imponeert The Lone Bellow net als op haar vorige platen met zang die door de ziel snijdt. 

Walk Into The Storm klinkt in muzikaal opzicht wat minder imponerend dan zijn voorgangers. Dave Cobb heeft de plaat zoals gezegd voorzien van een behoorlijk traditioneel klinkend geluid en heeft dit geluid ook nog eens volgestopt met strijkers. The Lone Bellow zet vergeleken met het zo bijzondere Then Came The Morning een stap terug wanneer het gaat om muzikaal avontuur en een eigen gezicht, maar in tegenstelling tot een groot deel van de Amerikaanse critici, vind ik ook Walk Into The Storm weer een geweldige plaat. 

In muzikaal opzicht is het misschien wat minder spannend, maar het traditionelere geluid vol invloeden uit Nashville past uitstekend bij The Lone Bellow. Zeker wanneer de instrumentatie in dienst staat van de vocalen, en dat is op het grootste deel van de plaat het geval, maken deze vocalen nog meer indruk dan in het verleden en zit ik toch weer op het puntje van de stoel. De tijdloze popsongs op de plaat prikkelen bovendien de stoffen in het lijf die zorgen voor geluk, waardoor de zon weer gaat schijnen.

Walk Into The Storm is niet de logische stap die ik na de vorige plaat had verwacht, maar onderstreept wat mij betreft wel het enorme talent van deze band, die ook dit keer weer meerdere keren zorgt voor flink wat kippenvel, wat toch een bijzondere ervaring blijft. Erwin Zijleman





zaterdag 16 september 2017

Angus & Julia Stone - Snow

Toen Angus en Julia Stone in 2007 debuteerden met de intieme en eigenzinnige folkplaat A Book Like This, kwamen de critici superlatieven tekort. 

Het overigens prachtig, als een zeer lijvig boekwerk verpakte debuut van de broer en zus uit het Australische Sydney, dook op in menig jaarlijstje en was voor liefhebbers van lome folkpop lange tijd de ideale soundtrack voor een luie zondagmiddag. 

Inmiddels zijn we een flinke stapel platen verder. Angus en Julia maakten er een paar samen en een paar alleen en zagen de waardering van de critici langzaam maar zeker verdampen. 

De titelloze en door niemand minder dan Rick Rubin geproduceerde plaat van het Australische tweetal uit 2014 kreeg gelukkig weer wat positievere kritieken en daar viel ook niets op af te dingen. Op de plaat eerden de twee nog altijd de oude liefde folk, maar er werd ook schaamteloos geflirt met pop en rock, waardoor de plaat klonk als de spreekwoordelijke omgevallen platenkast. 

Het deze week verschenen Snow wordt op het eerste gezicht weer lauwtjes ontvangen, maar ik vond het direct bij eerste beluistering bijzonder lekker klinken. Op Snow hoor je af en toe nog wel wat flarden van het inmiddels al weer tien jaar oude debuut van Angus en Julia Stone, maar ook op de nieuwe plaat heeft de muziek van het tweetal weer een flinke popinjectie gekregen. 

Angus en Julia Stone produceerden hun plaat dit keer zelf en hebben gekozen voor een opvallend geluid, waarin akoestische en elektronische geluiden op bijzondere wijze samenvloeien. Ook op Snow kiest het Australische duo voornamelijk voor wat lome songs, die omslaan in heerlijk broeierige songs wanneer Julia Stone de vocalen voor haar rekening neemt. 

Snow krijgt een wat zweverig karakter wanneer de synths stevig aanzwellen, maar klinkt over het algemeen opvallend direct. Door het veelvuldige gebruik van een ritmebox doet Snow af en toe wat denken aan platen uit de jaren 80, wat wordt versterkt door de bijzondere gitaarlijnen, die af en toe van de hand van U2’s The Edge zouden kunnen zijn. Het is een instrumentarium dat prachtig past bij de zwoele en verleidelijke stem van Julia Stone en de wat onderkoelde vocalen van broer Angus, die elkaar prachtig afwisselen. Vooral voor de stem van Julia heb ik nog steeds een zwak. 

Op het eerste gehoor is Snow vooral een plaat vol lekker in het gehoor liggende popliedjes, maar Angus en Julia Stone graven op hun nieuwe plaat ook dieper dan de gemiddelde recensie van de plaat doet vermoeden. 

Ondanks de titel is Snow in eerste instantie vooral een plaat die de zon laat schijnen, maar zeker wanneer je het volume wat opschroeft is het ook een bezwerende plaat die snel aan schoonheid wint en die bijvoorbeeld in de teksten ook wel wat scherpe randjes bevat. 

Ik heb tot dusver een zwak voor vrijwel alle platen van broer en zus Stone en Snow is zeker geen uitzondering. Sterker nog, persoonlijk bevalt de plaat me nog beter dan de wel goed ontvangen voorganger, zeker nadat ik de op het eerste gehoor wat irritante ritmebox had omarmd. Erwin Zijleman





vrijdag 15 september 2017

Cat Stevens / Yusuf - The Laughing Apple

Het is dit jaar precies 50 jaar geleden dat Cat Stevens debuteerde met twee nog niet direct opzienbarende, maar uiteindelijk wel belangrijke platen. 

Met New Masters en met name Matthew & Son legde Cat Stevens de basis voor zijn in 1970 en 1972 verschenen meesterwerken Tea For The Tillerman en Teaser And The Firecat, die absoluut moeten worden gerekend tot de beste en meest invloedrijke singer-songwriter platen uit de jaren 70. 

Cat Stevens viert dit jaar misschien zijn 50e verjaardag als muzikant, maar van een lange carrière is zeker geen sprake. De Britse muzikant raakte al in de eerste helft van de jaren 70 gefrustreerd door de machtige muziekindustrie en hing zijn gitaar aan de wilgen nadat hij zich in 1978 had bekeerd tot de Islam en zich vanaf dat moment Yusuf Islam noemde. 

Het zou bijna 30 jaar duren voor we weer als muzikant van hem zouden horen, maar het in 2006 onder de naam Yusuf verschenen Another Cup bleek een sterke plaat vol echo’s uit het verleden. Het in 2009 verschenen Roadsinger was nog veel sterker en ook het uit 2014 stammende Tell ‘Em I’m Gone had zeker zijn momenten. 

Ter ere van de 50e verjaardag van zijn muzikantenbestaan staat op de cover van de man’s nieuwe plaat niet alleen de naam Yusuf, maar keert ook de naam Cat Stevens terug. Het is een keuze die vast deels is ingegeven door commerciële motieven, maar na beluistering van The Laughing Apple kan ik alleen maar concluderen dat het een besluit is dat ook vanuit artistieke motieven goed te rechtvaardigen is. 

Op The Laughing Apple keert niet alleen de oude naam terug, maar werkt Cat Stevens ook weer samen met producer van het eerste uur Paul Samwell-Smith en oudgediende Alun Davies, die de grote platen van Cat Stevens voorzag van het zo herkenbare gitaarspel. Omdat The Laughing Apple ook nog eens voor een deel bestaat uit nieuwe bewerkingen van oude songs en songs die nog op de plank lagen, is het een plaat geworden die naadloos aansluit op de grote platen van Cat Stevens uit de eerste helft van de jaren 70. 

Of de Brit hiermee nieuwe zieltjes gaat winnen durf ik te betwijfelen, maar voor de muziekliefhebber met een zwak voor nostalgie en een zwak voor de meesterwerken van Cat Stevens is The Laughing Apple waarschijnlijk een bijzonder aangename plaat. 

De instrumentatie op de plaat is hier en daar voorzien van eigentijdse accenten en de stem van Cat Stevens is niet volledig ontsnapt aan het proces van veroudering, maar laat The Laughing Apple uit de speakers komen en je waant je weer in de tijd dat je Tea For The Tillerman en Teaser And The Firecat ontdekte (wat voor mij overigens pas ergens in de jaren 90 was). 

The Laughing Apple is gelukkig niet alleen goed voor nostalgische gevoelens. De songs op de plaat zijn van hoog niveau en persoonlijk vind ik de hier en daar licht krakende stem van Cat Stevens misschien nog wel mooier dan de stem die de genoemde platen uit het verleden zo’n herkenbaar eigen geluid gaven. Genoeg redenen om blij te zijn met de wederopstanding van Cat Stevens, maar The Laughing Apple is ook gewoon beter dan de platen van de jonge Britse singer-songwriters. Erwin Zijleman





donderdag 14 september 2017

Susanne Sundfør - Music For People In Trouble

De Noorse singer-songwriter Susanne Sundfør heeft de afgelopen jaren een wat wispelturig oeuvre opgebouwd. 

Ik was zelf behoorlijk overdonderd door het in 2012 verschenen The Silicone Veil, dat volgens mijn eigen recensie continu schakelde van sereen naar bombastisch en van sprookjesachtig naar spookachtig en hierdoor hopeloos intrigeerde. 

Opvolger Ten Love Songs deed me daarentegen weinig tot niets, maar was wel veel succesvoller dan zijn voorganger. Ik heb de extraverte synthpop van de plaat onlangs nog een nieuwe kans gegeven, maar Ten Love Songs was en is aan mij helaas niet besteed. 

Een ieder die had verwacht dat Susanne Sundfør na het succes van haar vorige plaat zou blijven hangen in de uptempo synthpop komt (gelukkig) bedrogen uit. Op Music For People In Trouble (mooi verzonnen) maakt de Noorse singer-songwriter vooral uiterst ingetogen muziek. 

Music For People In Trouble kiest voor een basis van piano en gitaar en klinkt daarom conventioneler dan we van Susanne Sundfør gewend zijn. De Noorse zingt even ingetogen als de instrumentatie op de plaat en schuurt met haar muziek dicht tegen de folk en de jazz aan. Het is een verrassende stap voor een muzikante die tot dusver zeer nadrukkelijk kiest voor uitstapjes buiten de gebaande paden, al is Music For People In Trouble niet zo conventioneel als de plaat op het eerste gehoor lijkt. 

Susanne Sundfør is nog altijd een meester in het opbouwen van de spanning in haar songs, maar doet dat dit keer met subtiele middelen (het bombastische slot uitgezonderd). Ingetogen songs met een kop en een staart staan centraal op de nieuwe plaat van Susanne Sundfør. Het zijn songs met stemmige pianoklanken, ondersteunende gitaren en de werkelijk prachtige zang van de Noorse singer-songwriter. 

Het is al meer dan voldoende voor een hele mooie plaat, maar Susanne Sundfør heeft ook dit keer haar geheime wapens. Music For People In Trouble is voorzien van flink wat uiterst subtiele accenten. De ene keer is het een prachtige pedal steel die een song voorziet van breed uitwaaierende klanken, de volgende keer zijn het al even fraaie blazers, geluiden uit de natuur of stiekem toch weer behoorlijk spookachtige soundscapes die de songs van Susanne Sundfør op fascinerende wijze tot leven brengen. 

Het zal even schrikken zijn voor een ieder die de Noorse op basis van Ten Love Songs omarmde, maar ik vind Music For People In Trouble een prachtige plaat. Het is bovendien een plaat die steeds meer schoonheid prijs geeft. 

Waar ik bij eerste beluistering vooral redelijk conventionele songs met invloeden uit de folk en de jazz hoorde, hoor ik nu songs vol emotie en onderhuidse spanning. De arrangementen op de plaat zijn in vrijwel alle gevallen wonderschoon en passen prachtig bij de indrukwekkende stem van Susanne Sundfør, die goed is voor heel veel kippenvel. 

Zeker bij beluistering op wat hoger volume valt op hoe mooi het geluid op Music For People In Trouble is en hoe knap het in elkaar steekt. Wanneer je je eenmaal verliest in de bijzondere songs op de plaat, is de nieuwe plaat van Susanne Sundfør er snel een die minstens net zo intrigeert als het veelkleurige en dynamische The Silicone Veil van een paar jaar geleden. 

Of Music For People In Trouble net zoveel aandacht gaat trekken als zijn voorganger durf ik te betwijfelen, maar ik ben inmiddels zelf compleet betoverd door deze wonderschone en fascinerende plaat. Erwin Zijleman





woensdag 13 september 2017

Alvvays - Antisocialites

Het is al weer drie jaar geleden dat ik genadeloos werd verleid door het debuut van Alvvays. De band het Canadese Toronto deed dan ook precies waar ik een zwak voor heb. 

Het titelloze debuut van Alvvays stond vol met heerlijk gruizige popliedjes met een honingzoet suikerlaagje. 

Alvvays viste met haar debuut in een overvolle vijver, maar de Canadese band betoverde met popliedjes die net iets aanstekelijker, verleidelijker en onweerstaanbaarder waren dan die van de concurrentie. 

Ondanks de zoete verleiding van het debuut van Alvvays ging ik er niet van uit dat de band er in deze week vol grote releases uit zou springen met haar tweede plaat. Alvvays doet dat echter wel, want de tweede plaat van de band is een fantastische plaat, die vergeleken met het debuut een flinke stap zet. 

De basis van de receptuur van de songs van Alvvays is gelijk gebleven. Ook op Antisocialites maakt de band licht gruizige popliedjes met aangenaam suikerlaagje. Vergeleken met het debuut van de band citeert Alvvays wel wat minder nadrukkelijk uit de shoegaze en de dreampop en heeft het wat meer invloeden uit de new wave (hier en daar heeft het wat van Blondie) en de indiepop toegelaten in haar muziek. 

De wat minder prominente rol voor de gruizige gitaren voegt wat meer ruimte toe aan de muziek van Alvvays en die ruimte wordt volledig opgevuld met de vocalen van zangeres Molly Rankin. 

Zeker in de wat meer pop georiënteerde songs op de plaat, en daar telt Antisocialites er flink wat van, overtuigt Molly Rankin met uitstekende en voor mij volstrekt onweerstaanbare zang, die de kwaliteit van het debuut vele malen overtreft. 

Alleen al door de zang weet de tweede plaat van Alvvays zich makkelijk te onderscheiden van die van de talloze concurrenten in het genre, maar ook in muzikaal opzicht is de tweede plaat van Alvvays de concurrentie een aantal stappen voor. 

Alvvays heeft de shoegaze en dreampop nog zeker niet afgezworen, maar maakt ook het soort popliedjes waar The Sundays ooit het patent op hadden en kan bovendien uit de voeten binnen het territorium van bands als Belle & Sebastian en Camera Obscura. De vergelijking met dit soort bands legt de lat hoog voor Antisocialites, maar de plaat kan het aan. 

Alvvays heeft een plaat gemaakt die in vocaal opzicht indruk maakt, maar ook de instrumentatie op en de productie van de plaat zijn van hoog niveau. Antisocialites staat vol met klanken waarvan je alleen maar heel vrolijk kunt worden, terwijl producer John Congleton er niet alleen voor heeft gezorgd dat het uit vele lagen bestaande geluid van de band fris en luchtig klinkt, maar heeft bovendien de stem van Molly Rankin een flinke boost gegeven. 

Tenslotte zijn er de songs op de plaat en ook deze zijn vrijwel zonder uitzondering ijzersterk. Antisocialites komt inmiddels voor de zoveelste keer voorbij en de verleiding van de plaat wordt eigenlijk alleen maar groter. Het aanbod aan nieuwe muziek is deze weken extreem groot, maar dit is wat mij betreft een van de pareltjes binnen dit enorme aanbod. Echt een heerlijke plaat. Erwin Zijleman





dinsdag 12 september 2017

Motorpsycho - The Tower

De Noorse band Motorpsycho is sinds haar oprichting in 1989 enorm productief en heeft inmiddels een zeer imposant oeuvre opgebouwd. The Tower wordt hier en daar de 31e plaat van de band uit Trondheim genoemd en ik ga er maar even van uit dat het klopt.

De band bracht eerder dit jaar nog de soundtrack bij een fictief toneelstuk uit, maar The Tower is wat mij betreft de echte opvolger van het vorig jaar verschenen Here Be Monsters. 

Voor The Tower koos Motorpsycho voor de afwisseling eens voor een studio ver van huis, want de plaat werd opgenomen in Los Angeles en Joshua Tree. Heel veel invloed op het geluid van de Noorse band heeft het niet gehad, want Motorpsycho doet nog altijd heel nadrukkelijk haar eigen ding. 

The Tower opent met de bijna 9 minuten durende titeltrack, waarin een stevige stonerrock achtige riff wordt gecombineerd met invloeden uit de psychedelica en vooral de progrock. Ik heb bij beluistering van de platen van Motorpsycho wel vaker associaties met de platen van Yes uit de jaren 70, maar zo duidelijk als in de openingstrack van The Tower hoorde ik invloeden van Yes nog niet vaak. Het zijn invloeden die ook in de andere tracks op de plaat een belangrijke rol spelen en persoonlijk vind ik dat een pre. 

Motorpsycho doet vervolgens haar eigen ding met de invloeden uit het verleden en combineert de zweverige sfeer en het muzikaal spierballenvertoon waarvoor Yes zich niet zou hebben geschaamd met redelijk rechttoe rechtaan rock ’n roll, waardoor de energie werkelijk uit de speakers knalt. 

Motorpsycho heeft zoveel platen gemaakt die ik koester, dat iedere nieuwe plaat moet opboksen tegen heel veel moois, maar The Tower had me dankzij de ijzersterke openingstrack onmiddellijk te pakken. Hierna moet er nog heel veel moois komen, want zoals gewoonlijk neemt de Noorse band de tijd voor haar muziek en krijgen we dit keer bijna anderhalf uur muziek voor de kiezen. Dat is bijna altijd teveel, maar iedereen die de platen van Motorpsycho koestert, weet dat de Noren met hun muziek niet snel vervelen. 

De loodzware en zoals gezegd bijna aan de stonerrock ontleende riffs uit de openingstrack keren met grote regelmaat terug op The Tower wat veel dynamiek toevoegt aan de plaat. Motorpsycho heeft een lekker stevige rockplaat afgeleverd en het is een rockplaat die kan vermaken met meedogenloze riffs maar ook kan betoveren met muziek die alle kanten op schiet. 

Het is een plaat die je mee terugneemt naar de hardrock en symfonische rock uit de jaren 70, maar Motorpsycho staat ook met minstens één been in het heden en voorziet haar muziek ook van allerlei accenten uit de rockmuziek uit de afgelopen decennia.  Een aantal songs op de plaat is verrassend toegankelijk, maar The Tower kan ook flink ontsporen in psychedelische klanken die zorgen voor fascinerende beelden op het netvlies.

Muziekliefhebbers die niets hebben met moeilijkdoenerij zullen The Tower waarschijnlijk wat teveel van het goede vinden, maar liefhebbers van muziek die net zo makkelijk betovert als overweldigt, horen op The Tower verschrikkelijk veel moois. The Tower is daarmee het zoveelste voorbeeld van het bijzondere of zelfs unieke muzikale universum dat Motorpsycho de afgelopen twee decennia heeft gecreëerd. Erwin Zijleman

De platen van Motorpsycho zijn tegen een aantrekkelijke prijs te bestellen bij het label van de band: https://www.stickman-records.com/band/motorpsycho/.





maandag 11 september 2017

Gregg Allman - Southern Blood

Toen Gregg Allman aan het begin van 2016 begon aan het opnemen van Southern Blood, wist hij waarschijnlijk al wel dat het zijn laatste plaat zou worden. 

De gezondheid van de muzikant die zo lang furore maakte in The Allman Brothers Band ging hard achteruit en zelfs een levertransplantatie mocht niet meer baten. 

Uiteindelijk overleed Gregg Allman in mei van dit jaar en ontviel ons wederom een groot muzikant. Southern Blood was toen gelukkig al af en verschijnt nu postuum. 

Gregg Allman wilde een afscheid in stijl en wist voor Southern Blood niet alleen topproducer Don Was, maar ook flink wat muzikanten van naam en faam te strikken. 

In de fameuze FAME Studios in Muscle Shoals doken onder andere Jackson Browne, Buddy Miller, pedal steel tovenaar Greg Leisz en blazer veelvraat Jay Collins op en uiteraard stonden ook de orgels van Gregg Allman opgesteld. 

Het maken van een goede afscheidsplaat is maar weinigen gegeven. David Bowie deed het op unieke wijze, Leonard Cohen op een buitengewoon ontroerende manier, terwijl Johnny Cash er in slaagde om een hele stapel goede afscheidsplaten te maken. 

Wat op Southern Blood opvalt is dat je slechts zeer incidenteel hoort dat je te maken hebt met een muzikant die met zijn laatste project bezig is. Voor de songs op de plaat deed Gregg Allman vrijwel uitsluitend een beroep op songs van anderen, onder wie tijdgenoten als Bob Dylan, Tim Buckley, Jerry Garcia, Lowell George en Jackson Browne. Gregg Allman vertolkt deze songs op gloedvolle wijze. 

Hij is verrassend goed bij stem (al moesten de gastvocalisten op de plaat af en toe flink bijspringen) en steekt in muzikaal opzicht in een blakende vorm. Don Was heeft Southern Blood voorzien van een volstrekt tijdloos geluid en het is een geluid waarin de invloeden uit de country, folk, R&B, blues en rock uitstekend gedijen. 

Het is een geluid dat op een of andere manier direct vertrouwd klinkt, maar dat hier en daar ook weet te verrassen, bijvoorbeeld wanneer blazers en pedal steel op bijzonder fraaie wijze samenvloeien. 

Southern Blood is een plaat die met een beetje fantasie ook een aantal decennia geleden gemaakt had kunnen worden en ook een aantal decennia geleden was het een topplaat geweest. Southern Blood is een plaat van afscheid, maar het is ook een plaat waarop Gregg Allman nog één keer doet waar hij goed in is: muziek maken. Southern Blood heeft hierdoor niet het mystieke, emotionele of breekbare van de hierboven genoemde afscheidsplaten, maar viert het leven met muziek vol passie en soul. 

Gregg Allman heeft een rijk verleden met The Allman Brothers Band, maar een niet al te imposante solocarrière. Hij maakte in 1973 het geweldige Laid Back, maar hier staan talloze missers tegenover, met het samen met echtgenote Cher gemaakte Two The Hard Way als triest dieptepunt. Met Southern Blood revancheert Gregg Allman zich voor zijn slechte platen en maakt hij een plaat die naast zijn solodebuut mag staan. Het levert een afscheid in stijl op. Erwin Zijleman





zondag 10 september 2017

The National - Sleep Well Beast

The War On Drugs maakte vorige maand een plaat waarop het de transformatie van een eigenzinnige indie-band naar een grootse rockband voltooide. Ik blijf dat een bijzonder proces vinden, vooral omdat het zeer heftige reacties oproept bij zowel de critici als de fans. 

De plaat van The War On Drugs is de hemel in geprezen en volledig afgebrand, ook door de critici die de vorige platen van de band (die niet zo gek veel verschilden van de laatste) nog intens koesterden. Het zou ook zomaar kunnen gebeuren met een plaat van The National, misschien zelfs wel met de nieuwe plaat van de band. 

De band uit Cincinnati, Ohio, debuteerde in 2001 bescheiden, maar wist met Sad Songs For Dirty Lovers twee jaar later de jaarlijstjes te halen. Met Alligator (2005), Boxer (2007), High Violet (2010) en Trouble Will Find Me (2013) volgden nog vier prachtplaten die de jaarlijstjes kleur gaven en nu is er dan Sleep Well Beast. Het is een plaat die voor een deel in het verlengde ligt van zijn voorgangers, maar The National zet ook stappen in andere richtingen en dat is niet zonder risico. 

In de zich langzaam voortslepende openingstrack is er nog niets aan de hand. Nobody Else Will Be There is een prachtige en intense song, die langzaam maar zeker de spanning opbouwt met een uiterst subtiele instrumentatie en die bij herhaalde beluistering alleen maar mooier en vooral ook intiemer wordt. Precies zoals we ze van de band kennen dus.

In de tweede track gaat het roer om. Day I Die is een groots klinkende track vol invloeden uit de post-punk. Het is een track waarin The National een band als Editors naar de kroon steekt en daar nog aardig in slaagt ook. Het is een song die nadrukkelijk de aandacht van de critici trekt en The National hier en daar zelfs de vergelijking met U2 of Coldplay oplevert, wat ik overigens volkomen misplaatst vind. 

Sleep Well Beast is absoluut meer beïnvloed door platen uit het verleden dan zijn voorgangers, maar enige relativering is op zijn plaat. Hier en daar duiken zeer nadrukkelijk invloeden van Joy Division en New Order op, maar dat zijn wat mij betreft invloeden waar geen enkele band zich voor hoeft te schamen. Sleep Well Beast is ondanks de zeer incidentele flirt met groots klinkende rock en de wat toegenomen invloed van elektronica, echter ook een plaat die voor een belangrijk deel aansluit op de vorige platen van The National. 

Het contrast tussen de introverte en indringende songs en de extroverte en grootser of rauwer klinkende rocksongs op de plaat maakt de eerste serie songs alleen maar mooier en trefzekerder en waar The National in een, overigens zeer beperkt aantal songs absoluut kiest voor een wat grootser, steviger en toegankelijker geluid blijven eigenzinnigheid en avontuur gelukkig voorop staan. 

Luister wat beter naar Sleep Well Beast en je hoort met hoeveel aandacht, smaak en avontuur The National haar nieuwe plaat heeft gemaakt. Iedere song op de plaat is weer anders en in iedere song zitten prachtige details verstopt. 

The National kan op Sleep Well Beast groots en meeslepend klinken, maar de band levert ook een aantal van haar meest subtiele en bezwerende songs af. Ook ik heb een voorkeur voor de intense en intieme songs vol fluisterzachte vocalen en wonderschone accenten en deze domineren gelukkig op Sleep Well Beast, maar ook als The National op het eerste gehoor wat eenvoudiger rockt behoudt de band haar bijzondere geluid en overwint uiteindelijk de schoonheid. 

Sleep Well Beast maakt om voor mij onduidelijke redenen niet direct de onuitwisbare indruk van zijn voorgangers, maar hoe vaker ik de plaat hoor hoe meer ik er van overtuigd raak dat The National ook dit keer een plaat heeft gemaakt die het uiteindelijk goed kan doen in de jaarlijstjes. Sleep Well Beast wint immers alleen maar aan kleur, dynamiek en schoonheid en past uitstekend binnen het fascinerende oeuvre van de Amerikaanse band. Erwin Zijleman





zaterdag 9 september 2017

Grawlixes - Set Free

Hoewel het Internet korte metten heeft gemaakt met geografische afstanden, pik ik muziek uit Nieuw Zeeland nog altijd lang niet zo makkelijk op als muziek uit Europa of uit de Verenigde Staten. 

Zo nu en dan weet muziek uit Nieuw Zeeland me echter toch te bereiken en keer op keer ben ik  verrast door het hoge niveau van de muziek die vanaf de andere kant van onze aardbol tot ons komt. 

Grawlixes is een duo uit het Nieuw Zeelandse Wellington, dat bestaat uit Penelope Esplin en Robin Cederman. Penelope Esplin speelt accordeon en zingt, terwijl Robin Cederman naast de vocalen ook de gitaren voor zijn rekening neemt. 

Op het debuut van de band, Set Free, wordt het tweetal zo nu en dan bijgestaan door violist Alex Vaatstra, maar over het algemeen genomen kiest het Nieuw Zeelandse tweetal voor uiterst ingetogen muziek zonder opsmuk. 

Op Set Free maakt Grawlixes vooral intieme en folky popsongs. Wanneer de instrumentatie zo sober is als op Set Free klinken platen vaak wat eenvormig en slaat de verveling snel toe, maar het debuut van Grawlixes houdt me inmiddels al een tijdje in een stevige wurggreep. 

Met name de zeer subtiele bijdragen van de accordeon voorzien het debuut van het Nieuw Zeelandse tweetal van een net wat ander geluid dan gebruikelijk in dit genre, maar ook het afwisselen van mannen en vrouwenvocalen en het fraaie gitaarspel dragen bij aan de verrassende veelzijdigheid van het debuut van Grawlixes. 

De grootste kracht van het debuut van Grawlixes schuilt echter in het feit dat Penelope Esplin en Robin Cederman niet voor de makkelijkste weg kiezen op hun debuut. Set Free bevat nauwelijks songs die je na een keer horen kunt reproduceren, maar staat vol met songs die wat dieper graven en hierdoor nog lang aan kracht winnen. 

Het zijn songs die gelukkig niet al te gepolijst zijn, waardoor Set Free aangenaam schuurt en rammelt. Dat hoor je niet alleen in de instrumentatie, maar ook in de vocalen, die puur en eerlijk maar soms ook wat onvast klinken. 

Het maakt van Set Free een intense en vaak wat melancholische plaat, die zich langzaam maar zeker steeds meer opdringt. Het doet me af en toe wel wat denken aan de meest ingetogen en folky songs van Everything But The Girl, maar wanneer Penelope Esplin zingt hoor ik ook wel wat raakvlakken met een band als The Sundays. 

Grawlixes zet zeer bescheiden middelen in op haar debuut, maar sorteert veel effect met deze middelen. Bij eerste beluistering moest ik vooral wennen aan de niet alledaagse songstructuren en de soms wat onvast klinkende zang, maar wanneer je het debuut van Grawlixes vaker hoort, dringen de songs op het debuut van het Nieuw Zeelandse duo zich genadeloos op en winnen de pure en intense songs op Set Free steeds meer aan kracht en aan kleur. 

De sobere instrumentatie zit opeens vol fraaie accenten, terwijl de vocalen steeds vaker de juiste snaar weten te raken. Ondertussen kabbelt de plaat na enige gewenning ook heerlijk rustgevend voort op de achtergrond. Wat je van ver haalt is niet per definitie lekker, maar het debuut van Grawlixes verdient ook hier in Nederland alle aandacht. Erwin Zijleman

Het debuut van Grawlixes ligt nog niet in Nederland in de winkel, maar kan wel worden verkregen via de bandcamp pagina van de band: https://grawlixesnz.bandcamp.com/releases.



 

vrijdag 8 september 2017

The Pains Of Being Pure At Heart - The Echo Of Pleasure

Ik was en ben zeer gecharmeerd van de eerste twee platen van de uit New York afkomstige band The Pains Of Being Pure At Heart. 

Op het titelloze debuut van de band uit 2009 werden invloeden uit de shoegaze en dreampop op fraaie wijze vermengd met invloeden uit de indiepop, terwijl op het nog betere Belong uit 2001 wederom invloeden uit de shoegaze en dreampop een belangrijke rol speelden en dit keer werden gecombineerd met invloeden uit de 90s indierock. 

Op het drie jaar geleden verschenen Days Of Abandon ging  het helaas mis. Het zo aangename geluid van The Pains Of Being Pure At Heart was ontdaan van alle scherpe randjes en ging uiteindelijk het ene oor in en het andere weer uit. 

Ik had dan ook geen hoge verwachtingen ten aanzien van de vierde plaat van de New Yorkse band en dat leek bij eerste beluistering van The Echo Of Pleasure terecht. Ook op de vierde plaat van The Pains Of Being Pure At Heart spelen invloeden uit de shoegaze en dreampop een bescheiden rol en kiezen de New Yorks voor een wat gepolijster geluid dan op de eerste twee platen. 

Waar Days Of Abandon me drie jaar geleden ook bij een nieuwe kans niet wist te overtuigen, ben ik langzaam maar zeker wel onder de indruk geraakt van The Echo Of Pleasure. The Pains Of Being Pure At Heart leunt op haar nieuwe plaat nauwelijks meer op de invloeden uit de shoegaze en dreampop en heeft een nieuwe liefde gevonden in de postpunk en new wave uit de jaren 80. 

The Echo Of Pleasure doet aan van alles en nog wat uit de jaren 80 denken, maar het knappe van de plaat is dat het niet eens zo makkelijk is om concrete namen te verbinden aan de invloeden op de nieuwe plaat. Alle invloeden zijn verstopt in heerlijk melodieuze en vrijwel zonder uitzondering lekker in het gehoor liggende songs. 

Het is een kunstje dat de band ook op haar vorige plaat uitprobeerde, maar waar Days Of Abandon zouteloze popmuziek opleverde voelt The Echo Of Pleasure als een warm bad. Het is een warm bad dat de ene keer wordt gevuld met de heerlijke vocalen van zangeres Jen Goma, terwijl de andere keer voorman Kip Berman het voortouw neemt. 

Invloeden uit de Britse new wave en postpunk domineren op de vierde plaat van The Pains Of Being Pure At Heart, maar hier en daar hoor je ook nog wel een vleugje shoegaze, dreampop of indierock. Net wat vaker hoor ik invloeden uit de 90s indiepop. Zeker wanneer blazers worden ingezet schuurt The Pains Of Being Pure At Heart tegen Belle & Sebastian aan in popliedjes die net wat zoeter zijn dan de rest. 

Het is niet eens zo makkelijk uit te leggen waarom The Echo Of Pleasure een veel betere plaat is dan zijn voorganger. Qua ingrediënten en productie scheelt het misschien niets eens zo veel, maar waar de songs de vorige keer niets met me deden staat de nieuwe plaat van de New Yorkers vol met vrijwel onweerstaanbare popliedjes. Het is lastig om in te schatten hoe deze plaat gaat worden ontvangen, maar ik vind hem echt de moeite waard. Erwin Zijleman



donderdag 7 september 2017

Chris Forsyth & The Solar Motel Band - Dreaming In The Non-Dream

De Amerikaanse muzikant Chris Forsyth brengt inmiddels vijftien jaar platen onder zijn eigen naam uit, na hiervoor deel uit te hebben gemaakt van een aantal bands uit de experimentele muziekscene van Brooklyn. 

Het zijn platen die het helaas moeten doen met bescheiden aandacht, maar sinds een jaar of vier ben ik persoonlijk zeer gecharmeerd van de platen die de Amerikaanse gitarist samen met zijn Solar Motel Band maakt. 

Het sterke The Rarity Of Experience dat iets meer dan een jaar geleden verscheen, wordt nu gevolgd door Dreaming In The Non-Dream, dat ik na een handvol luisterbeurten nog wat mooier vindt. Dat is bijzonder, want Chris Forsyth en zijn band maken muziek die je wat vaker moet horen voor je de muziek op de juiste waarde kunt schatten. 

Ook Dreaming In The Non-Dream bestaat weer uit een aantal lange en grotendeels instrumentale tracks. Het zijn er dit keer vier, die samen goed zijn voor ruim 36 minuten muziek, waarvan het merendeel in de twee songs van elf en bijna zestien minuten is gepropt. 

Chris Forsyth heeft een verleden in de avant garde, maar de muziek die hij tegenwoordig maakt is zeker niet ontoegankelijk. In de wat langere tracks citeert de Amerikaanse gitarist nadrukkelijk uit de geschiedenis van de rockmuziek en komt van alles voorbij. Op Dreaming In The Non-Dream hoor ik heel veel uit het vroege werk van Roxy Music (zeker wanneer een saxofoon wordt ingezet) en Van der Graaff Generator, veel van Pink Floyd, het nodige van Hawkwind, maar ook flarden Pere Ubu om maar eens wat namen te noemen. 

De instrumentale track waarmee de plaat opent is heerlijk psychedelisch en maakt indruk met verbluffend mooi gitaarwerk dat steeds van kleur en intensiteit verandert. Het is knap hoe Chris Forsyth en zijn band de aandacht elf minuten lang moeiteloos vast houden en je na die elf minuten nog steeds doen verlangen naar meer. 

In de tweede track voegt de Amerikaan vocalen toe aan zijn muziek en klinkt Dreaming In The Non-Dream direct wat meer rechttoe rechtaan. Ondanks wederom prachtig gitaarwerk is het voor mij de zwakste track op de plaat. 

De derde track is vervolgens het prijsnummer. Bijna 16 minuten lang betoveren Chris Forsyth en de Solar Motel Band de speakers en komt er alleen maar intrigerende en vrijwel altijd wonderschone muziek uit. Het is ook dit keer het fenomenale gitaarspel van Chris Forsyth dat de meeste aandacht trekt, maar ook de zeer goed ingespeelde band (de plaat werd tijdens een tour opgenomen) maakt indruk. 

Instrumentale muziek wordt vaak als saai bestempeld, maar de wijze waarop Chris Forsyth en zijn band de spanning opbouwen is even mooi als fascinerend. Waar de track met vocalen de aandacht afleidt van het bij vlagen onnavolgbare gitaarspel, komt dit in de langere tracks uitstekend tot zijn recht en is het bijna 16 minuten lang genieten. 

Na de 16 minuten vuurwerk van de derde track zijn er helaas nog maar twee minuten over en ook deze twee minuten zijn gevuld met prachtige gitaarlijnen. Het zijn gitaarlijnen die langzaam wegsterven en je vervolgens doen verlangen naar meer. 

Daarvoor kun je uiteraard een van de vorige platen van de Amerikaan uit de kast trekken, maar een bijkomend voordeel van grotendeels instrumentale muziek is dat je iedere keer weer nieuwe dingen hoort en de plaat dus moeiteloos nog een keer kunt opzetten. Ik blijf het doen, want ook de nieuwe van Chris Forsyth is weer wonderschoon. Erwin Zijleman

Begint dan ook de cassette aan een wederopstanding? Liefhebbers kunnen terecht op de bandcamp pagina van Chris Forsyth: https://chrisforsyth1.bandcamp.com.